Uitgebrande kerk Hoogmade heeft stukje van mijn verleden uitgegumd

Met het uitbranden deze week – maandag 4 november 2019 – van de katholieke kerk (Onze Lieve Vrouw Geboorte) in Hoogmade is opnieuw een stukje van mijn verleden uitgegumd.

Ik koester, zoals vele Hoogmadenaars, warme herinneringen aan de kerk die centraal stond in de katholieke dorpsgemeenschap in het algemeen en die van mijn families in het bijzonder. Ja, ook ik ben ouder geworden; veel uit mijn leven bestaat niet meer: het ouderlijke huis, de school, het seminarie waar ik studeerde, mijn vader en moeder, ooms en tantes, vrienden. Ik ben bijna aan de beurt!

Nog één keer sloeg de kerkklok tijdens het instorten van de torenspits.

 

Eerlijk gezegd was ik als kind een beetje bang van de kerk. Groot en koud en leeg vond ik het gebouw. Dat kwam ongetwijfeld door het feit dat ik als 7-jarige in november 1963 mijn vader verloor en ik de gehele uitvaart en begrafenis van hem bijwoonde. Al die rouwende mensen achter de kist aan door het dorp, toen auto’s uit respect stil bleven staan. Dat unheimische gevoel werd later versterkt als ik bloemen naar zijn graf bracht en in het knekelhuis – zo herinner ik mij dat – een vaas moest zoeken. Nog jaren later gruwelde ik van dat gebouwtje, zeker toen ik in die tijd – het gerucht, de dorpsroddel? – vernam dat daar de botten van geschudde lijken werden bewaard. Ik heb er over gedroomd.

Mijn vader (Dirk van der Post) is geboren (in 1914) in wat de vroegere pastorie was van de kerk aan de Oude Kerkweg. Hoewel tijdens de Reformatie een enkele geestelijke nog probeerde dorpelingen over te halen te kiezen voor het nieuwe geloof (protestantisme), is Hoogmade altijd katholiek gebleven. Wel mochten er eeuwenlang van protestantse overheidswege geen katholieke kerken meer in dorps- en stadskernen worden gebouwd.

Hoogmade kende trouwens alreeds een katholieke kerk vanaf eind 15de eeuw, een gebouw met een aparte toren, dat ongeveer heeft gestaan op de plek van de huidige Nederlands Hervormde kerkje (die werd gebouwd in 1729 op de hoek Noordeinde/Kerkstraat, vlakbij de Vissersweg – bron Hans van der Wereld). Die eerste katholieke kerk werd ‘gewoon’ (gestolen) overgenomen door de protestanten (1577) toen die de baas werden.

De katholieken waren vervolgens dakloos. Jaren kerkten zij op zolders, in boerenschuren. In het midden van de 18de eeuw verrees er naast de pastoorswoning aan, wat later, de Oude Kerkweg ging heten een ‘schuurkerkje’ die later werd verbouwd en voorzien van een circa 20 meter hoge kerktoren. Vanwege de groei van het aantal katholieken, was er behoefte aan meer ruimte.

De tijden waren inmiddels veranderd (positie van katholieken hersteld; 1853 herstel van de bisschoppelijke hiërarchie) en in het dorp verrees in 1877 de ‘nieuwe’ kerk. Dat bouwwerk was slecht gefundeerd, althans het kerkgebouw was grotendeels naast de palen/fundering gebouwd. Nadat al eerder stukken van het plafond en muren naar beneden waren gekomen, stortte de kerk in 1929 volledig in. Anders dan bij de brand nu konden toen de kunstschatten grotendeels worden gered (kelken, monstransen, kruisbeelden, staatsies, etc.).

‘Nieuwe’ kerk

De kerk aan de Oude Kerkweg werd rond 1900 afgebroken, aldus wist mijn ome Koos van der Post uit de overlevering te vertellen. In de jaren dertig hebben mijn vader en diens broers nog graven geruimd om land geschikt te maken voor erf en tuinbouw. Mijn opa – later mijn ooms Willem en Koos die het land onderling verdeelden – had land langs de Spijkersloot tot aan Rijpwetering, later (jaren vijftig/zestig) ook kassen voor onder meer tomatenteelt.

Mijn grootvader Jan van der Post (1880-1963) woonde na zijn huwelijk met Cornelia Zoetemelk (1885-1985) in de voormalige pastorie, of althans in een deel daarvan. Later werd die opgedeeld in drieën: mijn grootmoeder woonde (vanaf de Oude Kerkweg gezien) achter, haar dochter Cor (getrouwd met Gerard Oudshoorn) in het midden en haar zoon Koos met zijn vrouw Do aan de voorzijde.

De kerk aan de Oude Kerkweg. Schilderij van onbekende schilder dat hing in het huis van mijn ome Koos. Opmerkelijk dat van dit schilderij meer varianten bestaan, waarbij alleen de bomen anders zijn. Dit schilderij is kennelijk in het voorjaar/zomer gemaakt, want de bomen hebben bladeren. Op het schilderij dat is afgebeeld in het boek ‘Het begon in 1252…’ van Hans van der Wereld zijn de bomen kaal. Rechts de vroegere pastoorswoning, waar later de families Van der Post woonden.

Al direct na het instorten werden plannen gebouwd voor herbouw, waarbij ook de toren – die het had overleefd – aan de nieuwe neo-gothische bouwstijl werd aangepast. Mijn peettante Anna, oudere zus van mijn vader, was in 1933 de eerste Hoogmadese die in de nieuwe kerk trouwde met Henk van der Pijl (automonteur, later BMW-dealer in Stompwijk/Leidschendam, Vlietweg).

Mijn moeder (Gerarda Jacoba Wesselman, geboren 1919 aan het Zuideinde in de Roelofarendsveen) hertrouwde na de dood van mijn vader (na ongeval in Maastricht bij de Mosafabriek in 1963) in 1980 met Siem van Tol (1914-2014), een koeienboer die altijd gewoond heeft aan de Vissersweg 14, later nummer 16. Overigens is mijn moeder drie keer getrouwd met mannen uit Hoogmade, en twee keer getrouwd in de Hoogmadese kerk. De eerste keer (in 1948 met mijn vader) was ik er niet bij. De tweede keer (in 1967 met molenmaker Dirk Straathof, weduwnaar van Lien van Ruiten, hij werd geboren in 1907), en de derde keer met Siem van Tol (weduwnaar van Jo van Wieringen) waren mijn broers, zus en ik daar bij.

Laatste klokslag

Het was een spectaculair gezicht dat instorten van de kerktoren (bedekt met koper, groen uitgeslagen), zag ik deze week later op internet en tv. De kerkklok sloeg nog één keer tijdens het instorten, een soort laatste groet aan het dorp. Daar gaan trouwens alweer stemmen op om juist de toren – als beeldbepalend gebouw van Hoogmade – opnieuw op te bouwen.

Alleen de muren van de bijna 90-jarige kerk staan nog overeind; het is twijfelachtig of die – in geval van herbouw – weer gebruikt kunnen worden.

Het luiden, het slaan van de klokken, als in alle andere (katholieke) plattelandsdorpen zijn we er mee opgegroeid. De ‘trage’ rouwklokken als er iemand op het dorp gestorven was, en als een lopend vuurtje de naam van de overledene door het dorp ging; de feestklokken in geval van een trouwmis of anderszins te vieren kerkelijke feestdag.

De in 1877 gebouwde kerk in het hart van het dorp. Het schip stortte in 1929 in.

En ’s nachts – voor wie de slaap niet kon vatten – wist je precies hoe laat het was. En voor de vroege ochtendmis, voor elke mis uiteraard, luidden de klokken. En nog veel verder in het verleden – in de tijd van mijn voorvaderen – bepaalden die klokken het ritme van de dag: opstaan, werken, schoolgaan, de maaltijden, het slapen gaan. Het dorp was ontregeld als het uurwerk van de toren en de klokken ontregeld waren.

En voor wie naar een naburig dorp fietste voor de dokter of apotheek (Woubrugge, Rijpwetering) of de schoenmaker (Rijpwetering) of het gemeentehuis (Woubrugge) of anderszins, kon in de polder precies zien aan de kerktorens van de respectievelijke dorpen waar hij was: Hoogmade, Oud Ade, Rijpwetering, zelfs – in de verte – Roelofarendsveen. We wisten alleen al op basis daarvan dat Woubrugge geen markante kerk had, want geen torenspits die van verre lonkte.

Hoogmade: ijs, schaatsen, koek en zopie en de kerk. Romantisch beeld uit de jaren dertig (?) van de vorige eeuw.

 

Welhaast alle dochters van mijn (stief) vaders zijn in de kerk in Hoogmade getrouwd, want zo werkte dat: Je trouwde in het dorp van je aanstaande vrouw. Mijn moeder (Wesselman) naaide de trouwjurken voor haar dochter Mieke en stiefdochter Ina Straathof zodat zij ten volle in de kerk konden pronken. Dat was niet alleen goedkoper, de kwaliteit ervan kon wedijveren met die van de trouwwinkels in de stad (Leiden). Want een trouwpartij trok veel aandacht van met name vrouwelijke dorpelingen. Achter het middenpad volgden de ongenode bezoekers de kerkdienst. Een periode trouwens waarin – ook met uitvaarten – veel meer sprake was van dorpsharmonie en respect. Mijn moeder was zekere niet de enige die zo ervaren was in deze huisvlijt, maar velen zullen er op het dorp niet zijn geweest die dat zo perfect konden.

Misdienaar

En natuurlijk was ik misdienaar in onze kerk, net als een aantal van mijn broers. Eerst kerklatijn leren bij Piet de kapper in de Kerkstraat alvorens je in de zondagse hoogmis en andere plechtige missen (rouwtjes en trouwtjes) mocht dienen. Ja, er was een tijd dat ik als circa 9-jarig jochie nagenoeg alle Latijnse misgebeden uit het hoofd kende, zoals zoveel kerkgangers in die tijd trouwens. Ik denk er soms aan terug als ik nog jongere jochies van 5/6 jaar hele stukken dwangmatig zie/hoor citeren uit de Koran. Het was bij ons in zekere zin niet anders.

Het duurde wat langer alvorens ik de Gregoriaanse gezangen kende, zeker die van de uitvaartdienst. Het ‘In Paradisum’, altijd gezongen als de overledene de kerk verliet op weg naar het graf, kende ik pas toen ik zo’n beetje 12 jaar was. Het was maar een kort gezang, acht regels geloof ik, maar kennelijk heb ik te weinig gediend tijdens uitvaarten om het snel te leren kennen.

Trouwmissen waren bij vrijwel alle misdienaars het meest populair. Je loerde er op dat het blije bruidspaar je beloonde met een gulden, maar vaak was het minder. Second best als beloning waren de bruidssuikers. Je gebit ging rammelen van de suikers, maar meestal had je ze als kind al op voordat je thuis was.

En als misdienaar moesten wij soms ook kaarsengeld ophalen. Ik schat dat dat gebeurde voor de bijbellezing. Met een kaars in de ene hand en een mandje in de andere, ging je alle banken langs en naar gelang de opbrengst mocht je daarna een hoeveelheid kaarsen op het altaar aansteken. Een enkele keer mochten/moesten we collecteren. Hoe meer lawaai, des te minder geld. Veel mensen gooide een handje kleingeld – dubbeltjes, stuivers en centen in de schaal. Als je niks hoorde werd er soms niks of papiergeld gegeven, een rijksdaalder of een enkele keer een tientjes (vijfjes waren er nog niet en de papieren gulden was uit de handel genomen in de jaren vijftig).

Misdienaar was niet voor iedereen weggelegd. Wie zwak presteerde op school kwam niet in aanmerking, want voor trouw- en uitvaartmissen moest je toch bijna twee uur verzaken. Er waren in mijn jeugd ook schoolmissen waar meester Poncin als een soort pitbull orde hield. Een blik van hem en je was stil, maar de kans bestond ook dat je daarvoor al een corrigerende tik had gekregen.

Kerkkussens

Nog net in de tijd van voor de veranderingen als gevolg van het tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965). De veranderingen waren voor mij gigantisch; het moet oudere gelovigen heel moeite hebben gekost. Het werd voor mijn gevoel veel minder plechtig. Tijdens de mis moest altijd de meest ervaren misdienaar het kerkboek met standaard verplaatsen van de ene kant van het altaar naar de andere kant. Dat moest plechtig; dat ging niet in een rechte lijn. Kerkstandaard – zwaar en groot voor jonge jochies; je kon niet goed zien waar je liep; optillen, treden af; onder aan de trap even inhouden (lichte buiging?) voor het tabernakel/kruisbeeld, en dan aan de andere kant weer omhoog, vlak langs de andere misdienaars die daar geknield voor het altaar lagen.

Ik zal niet de enige misdienaar zijn geweest die door het gebrekkige zicht van de kerkboekdrager een bonk kreeg van de zware standaard. Het gebeurde kennelijk zo vaak dat ik op den duur de looproute van de drager precies volgde om een botsing te voorkomen. Met mijn bovenlichaam golfde ik in zekere zin mij met zijn ‘loopje’.

Siem van Tol met zijn eerste vrouw Jo van Wieringen, circa 1960.

De communiebanken werden nog gewoon gebruikt voor het doel waarvoor ze waren. De kerkgangers knielden als dat was voorgeschreven. Het tabernakel werd met een hoorbare klik van de sleutel geopend om de hosties klaar te zetten voor de consecratie (transsubstantiatie) en uiteindelijk de communie.

We kerkten op houten banken. Veel kerkgangers hadden kussentjes genaaid (laten maken) om hun knieën te ontzien. Heel jonge kinderen werden ontzien (tot hun Eerste Communie?) – ik herinner mij niet dat mijn vader een ‘eigen’ kussen had – en mochten tijdens de plechtige gedeelten zitten, althans dat mocht ik van mijn vader. Dat was ook niet heel prettig, want de geknielde mensen achter je zaten dan met hun gevouwen handen in je rug te porren, zodat je eigenlijk alleen op het puntje van de bank kon zitten. Weinig comfortabel vond ik toen ook al. In mijn herinnering kwamen er zo rond 1965/1966 uniforme vilten (dun waren ze, vond ik) kussens voor iedereen en verdwenen de oude.

Achterin de toen nog overvolle kerk stonden de (bewust) laatkomers. De mannen die voor mijn gevoel eigenlijk helemaal niet wilden, lawaaierig waren (te luid met elkaar spraken) alsof ze in het lokale café Van der Ploeg al een paar alcoholische consumpties hadden genomen. Maar ze waren er wel, kennelijk vanwege de gangbare dorpsmores (?). Als de pastoor hun soms vroeg de lege plaatsen in te nemen, gaven ze daaraan zelden gehoor, zeker als het om plekken voorin ging.

Ongeduldig

Iedereen had trouwens zijn vaste plaats in de kerk. Je had de vrouwen- (vanuit de ingang gezien links) en de mannenkant. De vrouwen droegen hun zondagse hoedjes; de mannen moesten hun hoed afzetten. Mijn vader zat op negende bank van achteren, mijn moeder op de derde bank vanaf het middenpad. Rijkere dorpelingen, of die met de ‘betere’ banen zaten meer voorin, naar mijn gevoel althans, toen in de jaren zestig. Als er een vreemde in de bank zat of op je plek, dan claimde je – althans mijn ouders – hun vaste plek; ‘dit is mijn plaats’.

Blik in de kerk met de kist van mijn moeder (1999).

Als misdienaar voelde ik mij bevoorrecht op momenten – tijdens de preek bijvoorbeeld – dat ik vanaf de zijkant makkelijk de kerk in kon kijken, naar het koor bijvoorbeeld dat tenminste en halve eeuw – waarschijnlijk langer – door huisschilder Freek Otte (vanaf 1948) werd gedirigeerd. Of naar de luidruchtig mannetjes achterin de kerk of als iemand wel een erg lange hoestbui had (wie rookte er toen niet?)

Freek Otte was een bijzondere type, aardige man trouwens door wie je geboeid was als je bijvoorbeeld een glasruit moest halen omdat er thuis een gesneuveld was. Het was altijd hetzelfde ritueel, maar leuk was het wel als je als kind moest blazen als Otte de ruit had uitgesneden en los kwam van de grote glasplaat. En altijd een snoepje (pepermuntje?). In de kerk was hij langdradig, Elke noot moest ten volle worden gezongen; alle coupletten werden ten gehore gebracht. Vaak tot zekere ergernis van pastoor Olsthoorn die wat minder geduld had. Die kon weleens met een ongeduldige blik in de richting van het koor kijken, en sprak zelfs een enkele keer woordelijk zijn ongenoegen uit.

Pastoor Olsthoorn op bezoek bij mijn grootouders bij hun 40-jarig huwelijksfeest (?) ergens eind jaren vijftig.

Ja, ook in Hoogmade draaide midden jaren zestig de pastoor zich om. Er kwam een hulpaltaar, en Olsthoorn keek zijn publiek recht aan. In een tijd al dat met name doordeweeks het aantal kerkgangers flink was afgenomen. De missen werden doordeweeks gelezen in de sacristie. Ik moest van mijn moeder twee keer doordeweeks naar de kerk, nog los van de verplichte zondagsmis. Nooit als misdienaar, want pastoor Van Vugt deed die missen alleen. Olsthoorn heeft het slechts kort of helemaal niet meegemaakt, want hij ging in 1965 met emeritaat.

En daar zat ik dan (op separate stoeltjes, tijdens de plechtige gedeelten moesten we staan), vroeg in de week bijna altijd met dezelfde mensen: een paar in het zwart geklede weduwen (in die tijd gingen bijna alle weduwen in zwart gekleed; ik herinner mij dat mijn moeder na de dood van mijn vader in 1963 heel nadrukkelijk zei dat ze zich als weduwe nooit in het zwart zou hullen); een enkele oude boer, en altijd Cor en mevrouw Zaal, respectievelijk postbode en beheerder van het postkantoor; maar nooit andere kinderen. En boeren rook je altijd, ook als ze wat verder van je af zaten, zelfs in hun zondagse pak. De indringende geur, een combinatie denk ik van hooi, inmaak, stal en koeien hing altijd om hen heen.

Katholieke cyclus

We werden er gedoopt, deden er de Eerste Communie (in de eerste klas), Plechtige Communie (zesde klas), het Heilig Vormsel, ontvingen elk jaar de blaasjeszegen (eigenlijk Blasiuszegen tegen keelziektes en kwalen). We werden ‘katholiek klaargestoomd’ voor het leven, voor de toekomst. Gepokt en gemazeld om het door te geven aan de nieuwe generaties. Je nieuwe brommer, auto, het vee; alles werd gezegend en trok in stoet aan de pastoor voorbij. Voor heil en voorspoed. Ik herinner mij de prachtige processies door de kerk en de kerktuin, waarbij de pastoor in zijn ruimste en mooiste kazuifel de monstrans droeg onder een baldakijn.

En rond Pasen – uiteraard op Goede Vrijdag – baden we tijdens een extra dienst bij de Kruiswegstaties. Als misdienaar hoopte je – althans ik – dat je dat geen tweede keer hoefde mee te maken. Het duurde voor een kind veel te lang. Bidden, stukje opschuiven naar het volgende ‘plaatje’ en weer bidden; het schoot maar niet op.

Op Paaszaterdag konden dorpelingen wijwater halen. Daartoe stond in het voorportaal een enorm houten vat/tobbe, waarin mijns inziens tenminste een kuub gewijd water stond. Ik ging op die zaterdag langs bij buren met de vraag of ze wijwater nodig hadden. Met een tas flessen toog ik naar de kerk om die te vullen, in de hoop dat ik er een heitje voor zou krijgen als ik de gevulde flessen zou afleveren.

Indrukwekkend waren de priesterwijdingen of eigenlijk de feesten daarom heen (want gewijd waren ze al eerder). De neomist werd bij de stenen brug ingehaald in rijtuig door onze fanfare, vergezeld van vele dorpelingen en vervolgens ging het stapvoets naar de kerk. Ik heb het zeker twee keer meegemaakt. Indrukwekkend vond ik de plechtige inwijdingsmis met drie heren die tijdens de dienst plat op de grond gingen liggen.

Zondagse kleding

En altijd prominent in die jaren: de biecht. God kon je je zonden vergeven, als je maar ging biechten. Als kind had je niet het flauwste benul wat zonde was en wat je in hemelsnaam moest biechten aan de pastoor aan de andere kant van rooster. Hoe vaak ik – en met mij waarschijnlijk alle andere kinderen – op instigatie van mijn moeder heb opgebiecht dat ik uit de suikerpot had gesnoept of een koekje had gestolen; het moet de ‘hoofdzonde’ bij elke biecht zijn geweest. De ‘straf’ van de pastoor was vrijwel altijd het bidden – in de kerkbank van een Onze Vader en een Wees Gegroet.

En soms moesten we op zondag – tijdens hoogtijdagen – twee keer naar de keer. We wilden in mijn herinneringen nooit. Maar we moesten van ons mam. Dan was er lof om 17.00 uur of zo. Zondagen waren in mijn herinnering minder leuk, van die dagen dat we altijd onze beste kleren moesten dragen; het leek wel dat we elk moment klaar moesten zijn om weer naar de kerk te gaan. En als kinderen moesten we ons inhouden, want die kleren waren ook een soort ‘heilig’. Wat deden we er lang mee, eigenlijk tot we er uit gegroeid waren en je geschikt was – de maat had – voor de kleren van je oudere broer.

Alleen met Kerstmis was die tweede gang naar de kerk nooit een probleem. Dan gingen we de levensgrote kerkstal kijken en kregen een paar losse centen mee om die te geven aan de Kerstengel waarvan het hoofd bewoog elke keer als je er en muntje instopte. Kerstmis, met name de avond/nachtmis vond ik altijd leuk. De mooi versierde kerk, de vrolijkheid, de prachtige kerstliederen die ik uit volle borst mee zong. De familielunch daarna: witte kadetjes, roomboter en rosbief. Dat waren zeldzaamheden in ons dagelijks leven toen.

Mijn moeder heeft jarenlang schoon gemaakt in de kerk. Dat deed ze – ik meen – tweewekelijks met een koppeltje vrouwen. Siem van Tol, haar derde echtgenoot met wie ze in 1980 trouwde, was er meestal bij voor het zwaardere werk. Zo werden met enige frequentie de kroonluchter schoongemaakt die Siem voor dat doel dan liet zakken zodat de dames er bij konden.

Siems familie (Van Tol), al eeuwenlang Hoogmades en oer-katholiek, heeft veel gedaan voor de kerk. Zijn voorouders schonken geld en goederen. Siem was tijdens zijn leven niet zo’n grote ‘weggever’, maar bij zijn dood in 2014 schonk hij de kerk bij testament ruim 25.000 euro. In navolging van zijn vader Jaap van Tol was Siem organist, in die tijd samen met Jan Kaptein. Als jongen wilde hij dat helemaal niet, maar hij werd gedwongen door zijn vader – die vreesde dat Hoogmade anders zonder orgelbespelers zou komen te zitten – op vooruitlopend op het ‘grote werk’ pianolessen te nemen in Rijpwetering. Dat gebeurde eens in de week. Siem ging er vaak lopend heen. Niks bijzonders in die tijd trouwens.

Siem van Tol, 40 jaar organist van de Onze Lieve Vrouwe Geboorte Kerk, ‘opvolger’ van zijn vader Jaap die dat ook al deed vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw.

Later oefende hij op het orgel in de kerk, op zaterdagen meestal. Klompen uit in het portaal bij de deur naar het koor en op kousenvoeten naar boven. In de winter zal hij ongetwijfeld vervangend schoeisel hebben gedragen, want de kerk was altijd koud. Je hield in de winter bij wijze van spreken je handschoenen/wanten aan. Ik schat dat midden jaren zestig de kerk verwarming kreeg (dat was in de winter een echte zegen), en een geluidsinstallatie (dat vond ik een beetje raar, maar misschien omdat dat voor mij echte nieuwigheid was).

Siem heeft voor zijn 40 ‘dienstjaren’ nog de pauselijke onderscheiding ‘Pro Ecclesia et Pontifice’ gekregen. Siem was een betrouwbare orgelspeler die stipt de noten speelden en de pedalen en toetsen aansloeg zoals voorgeschreven in de boekwerken. Improviseren, een register extra open trekken was hem niet gegeven. Dat in tegenstelling tot zijn vader die volgens Siem geweldig kon improviseren; ‘die kon de kerk laten galmen!’

De begraafplaats achter de kerk ligt vol met familieleden. Zoals ik reeds schreef was mijn moeder drie keer binnen Hoogmade getrouwd. Straathof, Van Tol, Van Wieringen, Van der Post; oude Hoogmadese families. En vrijwel allemaal was hun uitvaart in de Onze Lieve Vrouwe Geboorte Kerk, en ik was er vaak bij. De voorlaatste keer was ik in de kerk in mei 2014 bij de uitvaart van Siem van Tol, die op 6 weken na 100 was. Zijn katholieke cirkel was rond: ‘geboren, plechtige communie, getrouwd en begraven’; allemaal in dezelfde kerk. Zoals vele andere dorpelingen. Voor veel dorpelingen is een stuk verleden, herinnering, uitgegumd; zijn een klein beetje ‘dood’ gegaan.

 

Met dank aan Hans van der Wereld voor een paar feitelijke correcties.

2 antwoorden
  1. Albert Gillissen
    Albert Gillissen zegt:

    Beste Henk,
    Ik heb met genoegen dit stuk over je katholieke jeugd gelezen. Dit genoegen wordt veroorzaakt door een aantal factoren. Ten eerste is het goed geschreven, ik word doorlopend geboeid door de woorden en de inhoud. Ten tweede zijn er raakvlakken. Mijn jeugd, die zich aan de andere kant van Leiden (in het dorp Wassenaar) afspeelde, stond ook in het teken van het katholicisme. De herkenning is daardoor groot, ware het niet dat ik het niet aandurfde om misdienaar te worden, in navolging van mijn twee oudere broers. Oorzaak was voornamelijk dat ik de vaste momenten om in actie te komen (bijvoorbeeld het rinkelen van de bel) niet goed kon plaatsen en dus angst had om daarin te falen. Ook las ik in een ander stuk van jou
    dat je vanaf 1968 op het klein-seminarie Beresteyn gezeten hebt. We stammen beiden uit 1956, dus in dat jaar ging ik naar het Adelbert college, maar ben je daar volgens mij nooit tegen gekomen. Wel veel Beresteyners meegemaakt, met name in de tweede en derde klas. Na schooltijd, als het rooster dat toeliet, fietsten we nog wel eens naar Voorschoten met een klasgenoot (Tom Bakker) om op het mooi gelegen semenarie te gaan biljarten of ping-pongen, waarbij roken overigens toegestaan was. Speciale attractie waren de witte boterhammen met stroop die om vier uur geserveerd werden. Later speelden wij nog wel eens sportwedstrijden tegen jullie, Beresteyn – Adelbert . Ik was bij een van die wedstrijden, ditmaal volleybal in de gymzaal van Beresteyn. Pater Walters was de coach van de seminaristen en was degene die deze wedstrijd floot. De man was buitengewoon partijdig en floot gewoon af, toen Beresteyn dreigde te verliezen. Walters was een enge man, die op het Adelbert ook godsdienstlessen verzorgde. Een vriend van mij, Chris Houman, met wie ik lagere en middelbare schooltijd deelde. Heeft een succesvolle thriller geschreven over een geplande moordaanslag op de paus: ‘Akte van berouw, Intrige en verraad in het hart van het Vaticaan’. Hoofdpersoon is een aan het Vaticaan gelieerde priester, Zijn vader had een enorme afkeer van de kerk. Op zijn sterfbed werd het duidelijk dat dit veroorzaakt werd doordat hij misbruikt was geweest door een pater in de periode dat hij verbleef op het ‘klein-seminariie Ravensteyn’ in Voorschoten. Een inkoppertje…
    Een laatste mogelijk raakvlak wil ik nog even noemen. Mijn opa van moeders kant heette Straathof en was vrooeger boerenknecht in het gebied achter de Zoeterwoudse singel, toen nog Zoeterwouds grondgebied. Misschien is er een relatie met de Straathof die jij noemt in je verhaal?
    Al met al nogal wat raakpunten die ik toch een keertje aan je wilde laten weten. Misschien komen we elkaar nog eens in de kroeg tegen. ‘Leidse Henkie’ houdt ook wel van een borrel, denk ik.
    Vriendelijke groet, Albert Gillissen

    Beantwoorden
  2. kees van den berg
    kees van den berg zegt:

    Prachtig verhaal, Henk!
    Over het leven/beleven van katholieken in de polderdorpen.
    Op de kerk van Hoogmade, met de groene torenspits, hadden wij vanuit de Lagewaard, Koudekerk uitzicht. Voor de roomse boeren en boeren daggelders die op land in de Lagewaarsdse polder of de Bruinmadese polder aan het werk waren klonk het Angelus, om 12 uur s’middags, duidelijker vanaf Hoogmade dan vanuit de Zwaantjeskerk in Hazerswoude. .

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *