Hoogmade 1810 – 1824, deel 3

Vandaag deel 3 over de geschiedenis van Hoogmade, zoals die is ‘vastgelegd’ in de regionale kranten, met name de katholieke Leid(ch)e Courant. Voor specifieke info omtrent achtergronden en bronnen van dit lokale nieuws, raadplege deel 1 van deze serie.

Journal du Departement des Bouches de la Meuse 4 maart 1813

(in de Franse tijd tweetalig, Frans en Nederlands)

De keizerlyke Notaris Cornelis van der Lee, te Aarlanderveen residerende, als door Mynheer den Prefekt der Monden van de Maas, gekwalificeerd tot het verhuren van goederen, toebehoorende aan Godshuizen en andere gestichten van Weldadigheid en Onderwijs, gelegen in het kanton Woubrugge; zal op Zaturdag den 13 Maart 1813, des namiddags ten 2 uren in het Huis der gemeente te Koudekerk, by J. van Dyk, onder approbatie van Mynheer den Prefekt voornoemd, voor den tyd van zes achter een volgende jaren, publiek by opslag verhuren, drie percelen Land, ieder groot 2 hectares 12 ares en 88 ½ centiares of 2 morgen 300 roeden, gelegen aan de Rywetering, onder de gemeente Alkemade, toebehoorende aan de Roomsch Catholyke Armen van Hoogmade, ende zulks in drie percelen, ingevolge de memorie van lasten, welke acht dagen voor de verhuurdag, ten kantore van den voornoemden Notaris en op het bureau van Mynheer den Maire van Koudekerk ter visie zal leggen.

Opregte Haerlemsche Courant 28 december 1815

VRIJWILLIGE VERKOOPING te Woubrugge, de Veiling op Vrijdag den 29 December 1815, en de Afslag of Gunning den 5 Januarij 1816, beide des avonds ten 6 uren, in het Huis der Gemeente te Woubrugge, van de nagemeldene Huismans-Woning en Landerijen, namelijk:

No. 1. Een Huismans-Woning en verdere Getimmerte, het huis gequoteerd met No. 258, met diverse Partijen zoo Wei-, Hooi- als Houtland en Water, staande en gelegen op Ofwegen , in den Vlietpolder , onder Esselijkerwouden of Woubrugge voornoemd, van ouds verongelden (???) voor 28 Morgen 300 Roeden, doch in de meting groot Land en Water 32 Morgen 145 Roeden , zijnde deze Landen belast met diverse Pachten, aankomende de Kerk van Hoogmade, te zamen bedragende f 11 : 14 : – ’s jaars, en op eenige Nommers of Percelen van dit land staat aan Waarborgspenningen in Effecten, zoo Werkelijke- ls Uitgestelde Schuld als een derden Werkelijke- en tweederden Uitgestelde Schuld.

No. 2. Een Partij Wei- of Hooiland, gelegen als vooren, groot of verongeldende van ouds voor 5 Morgen 300 Roeden, dioch in de meting groot 5 Morgen 110 Roeden – De voorschrevene Huismans-Woning en verdere Getimmerte, benevens de Wei- en Hooilanden zijn Verhuurd voor f 723 : ’s Jaars; doch waarvan de Huur experireert, zoo veel de Landerijen betreft ultimo December 1815, en de Huizinge en verdere Getimmerte den laatsten April 1816.

No. 3. En laatstelijk een Huis, Schuur en Erve; het Huis gequoteerd met No. 257, mede staande en gelegen als boven.

Breeder bij geaffigeerde Biljetten gespecificeerd, en nadere onderrigting te bekomen ten Kantore van den Notaris Cs. (???) Kempenaar, te Woubrugge.

Nederlandsche Staatscourant 12 april 1816

JUDICATURE DER MIDDELEN TE WATER EN TE LANDE.

In Naam des Konings.

Sententie, in de zaak van Abraham Tarmde, gewezen ontvanger der indirecte belastingen, te Alkemade, thans gevangene op de Voorpoorte, alhier in ’s Hage.

Alzoo Abraham Tarmde, oud vijf en dertig jaren, geboren te Hoogmade, wonende aan de Oude Wetering, ontvanger der indirecte belastingen van Alkemade, thans gevangene op de Voorpoorte alhier, aan de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland heeft bekend, en het bovendien ook is gebleken :

Dat de gevangene, die, van het jaar 1806 tot het jaar 1811, ook ontvanger der onbeschreven middelen geweest was, wederom, in het begin van het jaar 1814, tot ontvanger der indirecte belastingen van Alkemade is aangesteld, en, bij de aanvaarding van die bediening, eed gedaan heeft, dat hij den Lande getrouw zoude dienen.

Dat de gevangene echter dien eed niet gehouden heeft, en aan zijn pligten ontrouw geworden is.

Dat, namelijk, de gevangene in de authentieke boeken van zijne ontvangst, welke door een’ adsistent van hem gehouden werden, onderscheidene vervalschingen gemaakt en daardoor minder aan het Land verantwoord heeft, dan er door denzelven van den impost ontvangen was, en dat de gevangene, om de ontdekking van die vervalschingen moeijlijker te maken, ook onderscheiden declaratoiren van den waagmeester, mitsgaders het waagboek zelve, wanneer hij dit in zijne magt konde bekomen, vervalscht heeft.

Dit bepaaldelijk aan den gevangenen is geëxhibeerd het impost-journaal voor de waag van de Rijpwetering, over dit jaar 1815, No. 2, hetwelk door een’ adsistent van hem gevangenen gehouden werd, en dat de gevangene heeft bekend, aan de veranderingen, welke aldaar in den post, geboekt onder No. 119, blijkbaar en zelfs zichtbaar waren, door hem eigenhandig daarin waren gemaakt, en dat, na exhibitie van een impost-quitantie voor de waag, n. 119, afgegeven aan Gerrit Klaverweijde en zoonen, te Amsterdam, in dato 3 Junij 1815, welke blijkbaar uitgegeven was voor dienzelfden post, welke in het impost-journaal op de geëxhibeerde plaats geboekt was, de gevangene heeft erkend, dat, ook op het journaal, evenals in de impost-quitantie, vijf en twintig quarten gestaan hadden, welke hij gevangene in vijf quarten veranderd had: dat de gevangene ook het getal van 3473 in 1650 ponden boter, en den ontvangen impost van f 9:7:10 in f 3:7:2 veranderd had; dat de gevangene voorts, ook op het declaratoir van den waagmeester, waarop de aangifte van den impost was gedaan, dat getal van 3471 in 1650 veranderd heeft, en dat de gevangene eindelijk het waagboek zelve heeft weten te bekomen en ook daarin dezelfde veranderingen gemaakt heeft.

Dat de gevangene intusschen, door deze vervalschingen, op dezen post, vijf guldens negentien stuivers en veertien penningen minder aan het Land heeft verantwoord, dan voor hetzelve werkelijk ontvangen was.

Dat wijders aan den gevangenen, in hetzelve impost-journaal van de waag, nog is vertoond een andere post, onder numero 135, waarin de gevangene heeft erkend zoodanig vervalschingen gemaakt te hebben, te dien effecte, dat het getal van werkelijk aangegeven ponden boter van 3197 in 467 en den ontvangen impost f 8:13:0 in f 1:6:0 veranderd is, gelijk de gevangene dan ook omtrent dezen post het declaratoir van den waagmeester in het waagboek zelve heeft vervalscht, en dat de gevangene, door deze vervalsching, op dezen post zeven guldens zeven stuivers minde aan het Land heeft verantwoord, dan werkelijk voor hetzelve ontvangen was.

Dat voorts aan den gevangenen, in het impost-journaal voor de waag van Rijpwetering, no. 3, een post is vertoond onder no. 269, waarin hij gevangene ook heeft erkend zoodanige vervalschingen gemaakt te hebben, te dien effecte, dat het getal der aangegeven ponden kaas van 6799 in 709 en den ontvangen impost van f 27:2:10 in f 3:15:6 veranderd is, gelijk de gevangene dan ook, omtrent dezen post, op die zelfde wijze, het declaratoir van den waagmeester heeft vervalscht, en dat de gevangene, door deze vervalschingen, op dezen post, drie en twintig gulden, zeven stuivers en tien penningen minder aan het Land verantwoord heeft, dan werkelijk voor hetzelve ontvangen was.

Dat, eindelijk, aan den gevangenen, in datzelfde impost-journaal, nog een post is vertoond, onder no. 344, waarin de gevangene alsmede heeft erkend, zoodanige vervalschingen gemaakt te hebben, te dien effecte, dat het getal der aangegeven ponden kaas, van 3208 in 628, en de ontvangen impost van f 15:11:4 in f 3:8:0 veranderd is, en dat hij gevangene, door deze vervalsching, op dezen post twaalf guldens tien stuivers en twaalf penningen minder aan het Land verantwoord heeft, dan werkelijk voor hetzelve ontvangen was.

Dat de gevangene dan ook heeft moeten erkennen, dat hij, zoo door het schenden van zijnen eed, als door het plegen van vervalschingen in autentieke boeken, welke hij als ontvanger houden moest, en in andere publieke instrumenten, mitsgader door het achterhouden van een gedeelte der voor het Land opgebrachte penningen, misdreven en straf verdiend heeft; tot zijne verschooning inbrengende, dat hij uit hoogen nood tot dezen stap gekomen is, terwijl hij, te voren, altijd op de meest nauwgezetst zijn pligt betragt had, en dat hij het heilig voornemen had. Om alles naderhand te herstellen.

En vermits ieder ambtenaar, die in de verrigtingen, tot zijnen post behoorende, eene valschheid begaan zal hebben, hetzij door veranderingen op de registers of zekere publieke akten, na hunne vervaardiging en sluiting, hetzij door bedrieglijk op die registers, de aard der zaken anders voor te stellen dan waarheid was, volgens art 143 en 146 van het nog vigerend wetboek op het strafregt, met altoos gedurenden dwangarbeid moet gestraft worden.

Zoo is het, dat de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, gezien de voorm. Art. 143 en 146 van het nog vigerende wetboek op het strafregt, houdende de voorz. bepaling van straf:

Gezien art. 7 van het besluit Zijner Koninklijke Hoogheid, de dato 11 december 1813, n. I, waarbij bepaald zijn de straffen, welke daarvoor in de plaats kunnen worden gesteld;

En wijders alles verder doorgezien en overwogen hebbende, hetgeen ter materie dienende was en heeft mogen moveren, doende regt in den naam en van wege Zijne Majesteit den Koning, verklaren den gevangenen vervallen van zijnen post als ontvanger der indirecte belastingen te Alkemade, condemneren hem wijders, om gebragt te worden ter plaatse, alwaar men gewoon is executie van criminele justitie te doen, en aldaar, met den strop om den hals, aan de galg vast gemaakt, te worden gegeseld en daarna gebrandmerkt; confineren voorts den gevangenen voor den tijd van drie eerstkomende en achtereenvolgende jaren, in een der tucht- of werkhuizen van Zuid-Holland, om aldaar met zijnen handen arbeid den kost te winnen; ontzeggen wijders aan den Advocaat Fiskaal der middelen te Lande in Zuid-Holland zijnen eerderen of anderen eisch en conclusie op ende jegens den gevangenen gedaan en genomen; condemneren niettemin den gevangenen in de kosten en misen van justitie, mitsgaders in de kosten van den processe, ter taxatie en moderatie van de Gedeputeerde Staten voornoemd.

Aldus gedaan en gearresteerd den 27sten december 1815, bij den Gouverneur van van Zuid-Holland, president; mitsgaders bij de Gedeputeerde Staten Collet d’Escury van Heinenoord, Hoyer van Brakel, van Horbag, de Lange, van Slingerland, Gevaerts en van Boetselaer, en gepronuncieerd den 25sten Maart 1816, ten overstaan van den heer Gollet d’Escury van Heinenoord, president; mitsgaders de Gedeputeerde Staten van Horbag, de Lange, van Slingerland, Gevaerts, van der Staal van Schakenbosch, van Boetselaer en Gevers van Endegeest.

In kennisse van mij, Griffier bij de provinciele Staten van Holland,

(geteekend) J. v.d. Sleijden.

Ik ondergeteekende Advocaat-Fiskaal der middelen te Lande, in Zuid-Holland, certificeer, dat Abraham Tarmde, bij zijne brieven van gratie van den 9den maart 1816, van Z. M. de Koning heeft geobtimeerd remissie van het brandmerk, en de bepaling van den strop op den hals, waartoe hij mede bij de vorenstaand sententie was gecondemneerd geworden; blijvende voor het overige die sententie in haar geheel; dat die bij brieven van gratie, na de pronunciatie der sententie, in de audientie zijn voorgelezen, en dat daarna de straf van geseling dadelijk aan hem is ter executie gelegd.

‘ Gravenhage, den 2den april 1816.

(geteekend) J. C. v.d. Kasteele

Leydse Courant 24 maart 1819

VERKOOPING op GEREGTERLIJK GEZAG.

Op Maandag en Dinsdag den 29 en 30 Maart 1819, des morgens ten tien uren, ten sterfhuize van wijlen Willem Groenewegen in de Buitenhuize, onder Woubrugge, nabij Hoogmade, van levende Haaf, Bouwgereedschappen; mitsgaders Meubilaire Goederen.

Opregte Haerlemsche Courant 31 oktober 1820

Getrouwd: P. van Amerom, Pred. te Hoogmade, met C. C. Broekhoff

Leyden, den 25 October 1820.

Opregte Haerlemsche Courant 23 oktober 1824

VRIJWILLIGE VERKOOPING.

C. Kempenaar, openbaar Notaris, te Woubrugge, als lasthebbende van zijne Principalen, zal op Woensdag den 3 November 1824, des avonds ten 6 uren, in ’t Huis der Gemeente aldaar, publiek doen veilen en verkoopen:

Eene kapitale , hechte, sterke en weldoortimmerde Huismans-woning, met welingerigte Koestalling, Zomerhuis, Schuur, twee Bargen, Karnmolen en verder Getimmerte, Erve en Boomgaard, benevens diverse percelen Wei- en Hooilanden, gelegen achter en naast voorschrevene Huismans-Woning, in de Noord Vrouwe Venner-polder, onder de Gemeente Alkemade (voorheen Rijnsburg) aan de Venner-Meer, groot ruim 27 Bunders. Aangeslagen over den jare 1824 in de Belasting op de Gebouwde Eigendommen tot f 12 – 20 Ct, en voor de Ongebouwde Eigendommen op f 136 – 90 ct, in huur gebruikt wordende bij Willem Zwetsloot voor f 1156-: en 2/8 ste en 1/16 ton Boter, benevens twee Comijnde Kazen ’s jaars.

Voorts nog een Huis, schuur, Tuin en Erve, staande en gelegen in de Frederiks-polder, onder Esselijkerwoude of Woubrugge, nabij de Rooms Catholijke Kerk van Hoogmade en Esselijkerwoude voornoemd, gequotered No 238; bij de geaffigeerde Biljetten breeder omschreven; zijnde inmiddels nader informatie te bekomen ten Kantore van bovengemelde Notaris.

 

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *