Het levensverhaal van Liesje Cabenda-Sanches en haar man August Cabenda

Mijn schoonmoeder Liesje (geboren als Alice Ottolien op 17 mei 1947, Paramaribo) is het vierde kind van Willem Cornelis James Sanches (geb. 2-3-1917, Paramaribo) en Francina Marie Rodgers (*17-3-1919, Paramaribo), roepnaam Marie, die op 1-8-1939 zijn getrouwd in Paramaribo.

Het echtpaar krijgt in totaal 9 kinderen. Op het moment van hun trouwen is Marie al hoogzwanger, want hun eerste kind wordt circa zeven weken na de trouwdag geboren. Het is Yvonne Marlène die op 20 oktober 1939 het daglicht ziet. Onderstaand in rij de broers en zussen van Liesje en hun partners/kinderen.

1. Yvonne Marlène (*20-1-1939), (roepnaam Wonnie) trouwt Rinaldo Valies. Zij krijgt 6 kinderen. Zij overlijdt op 4-4-2020, midden in de Coronatijd. De familie is vanwege de maatregelen tegen Corona gedwongen de uitvaart te volgen via ‘Zoom’.

2. Mathilde Francies, roepnaam Thilda (*31-10-1942), trouwt met Stanley Refos met wie ze 5 kinderen krijgt. Later gescheiden en hertrouwd met Albert Rademacher (overleden 11-10-2003 tijdens vakantie in Suriname), geen kinderen.

3. Frans Willem Johan, roepnaam Frankie (*5-11-1944), vier kinderen bij verschillende vrouwen.

4. Alice Ottolien (Liesje, mijn schoonmoeder dus, *17-5-1947), getrouwd met August Henricus Willem Cabenda (*6-10-1933, overleden 8-9-2014), twee kinderen Chiquita en Maikel, derde kind Monique.

5. Titsia Diana, (*3-3-1949) getrouwd met Lothar Ponit, tweede huwelijk Johan Klein, totaal 4 kinderen.

6. James Laurents, roepnaam Jimmy (*5-4-1951), getrouwd met Elisabeth Breinburg, 3 kinderen.

7. Joyce Patricia Julia (*28-7-1953), niet getrouwd, zoon Johan.

8. Rita Sonja (*9-2-1956, overleden 12-9-1976 aan suikerziekte).

9. Glenn Sonny (*26-12-1958, overleden 4-7-1960).

”Een verschrikkelijk lieve man, altijd goed gehumeurd”, zegt Liesje anno 2020 over oom Hans(je), jongste broer van haar moeder. En dat ‘verkleinwoord’ had inderdaad met zijn lengte te maken. Hij is al op heel jonge leeftijd besmet geraakt met lepra en ontwikkelde later de stereotype kenmerken van de ziekte: klauwhanden en klompvoeten. Bovendien was een gedeelte van een onderbeen bij hem afgezet. Overigens waren meer broers en zusjes van hem besmet, van wie er een paar, onder wie Alice, aan lepra overleden. De oorzaak van die familiebesmetting ligt waarschijnlijk in het feit dat de moeder (Liesje oma) de kinderen bij elkaar opsloot als ze van huis ging, maar ook uit gene, schaamte: ze wilde voor de buitenwereld geheim houden dat haar kinderen waren besmet. Deze tropische ziekte komt thans in Suriname nog sporadisch voor (enkele tientallen gevallen per jaar). Oom Hansje was zo populair dat toen hij te kennen gaf – ergens midden jaren tachtig – op vakantie naar Nederland te willen gaan, zijn tantes Lena en Lientje en hun kinderen daaraan meebetaalden. Ondanks zijn handicap was oom Hans een handige man. Hij maakte blokken op de pedalen van zijn fiets om zich met zijn korte benen te kunnen verplaatsen. Omdat hij geen werk had, verdiende hij de kost – voor zover dat trouwens daarmee kon – met de verkoop van loten en kranten. Dat geld gaf hij merendeels vaak weg, kocht er bv. groente voor mensen – ook voor familie – die dat nodig hadden. Hij had een periode geen onderdak. Tegen de muur van het piepkleine huisje (zo klein dat als de woning geschikt was gemaakt voor de nacht er niemand meer in of uit kon) van zijn tante Lena Rodgers – die woonde aan de Maripalaan – had hij een kist geplaatst (een grote emballagebox waarin goederen naar Suriname waren verscheept) om daarin te slapen.

Stamboom Sanches: ooit als slaven naar Suriname

Een prachtige foto met daarin geschreven nadere info over de desbetreffende personen. Het zijn de ouders en broers en zussen van Liesjes vader Willem Sanches. Op de voorste rij (v.l.n.r.): Carla, Jan (later geëmigreerd naar Brazilië), Walter, met achter hem opa Willem (militair, koster van de hervormde kerk), oma Adeleida Sanches-Karsters, Jean (ziekenhuisbroeder), Frits en Bennie (later geëmigreerd naar Brazilië). Achterste rij (v..l.n.r.): Mina, baby Simon Rodgers, zoon Willem (Liesjes vader), Jozef/Jopie, Karel (overleden na trap van een paard) met (dochter) en de vrouw van Karel (voorkind). Boven de foto staat: ‘Afwezig Simon = verbannen-Leiden’. Simon is in 1948 na een couppoging in Suriname het jaar daarvoor verbannen. Deze foto stamt van vlak na die tijd. Zie ook kader over Simon Sanches.

Mijn broer Paul van der Post (historicus) heeft een en ander gevonden over de voorouders van Liesje. Heel ver gaat het evenwel niet. In ieder geval lukt het niet via internet verder te gaan. Mijn broer zou zich dan moeten verdiepen in de geschiedschrijving van de slavernij en de archieven van de West-Indische Compagnie (WIC).

Algemeen: De slavenhandel was een onderdeel van driehoekshandel: de slaven werden door agenten van de West-Indische Compagnie gekocht van Afrikanen die ze weer ruilden tegen goederen. Dit gebeurde in west-Afrika. Het terugvinden van een land of gebied waar de slaven vandaan kwamen is onmogelijk, gewoon omdat de landen en gebieden zoals wij die nu kennen toen nog niet bestonden. In de archieven van de WIC is misschien te traceren waar de slaven ingescheept werden. Dat zou als verdere bron kunnen dienen.

De naam ‘Sanches’ is later toegeschreven of gekozen. En degenen die (als slaaf?) toen die naam kregen toebedeeld, hadden weinig of geen herinnering meer aan hun gebied van afkomst (Afrika), want er zaten vele generaties tussen.

Zoeken naar de oorsprong (herkomst) wordt ook bemoeilijkt omdat er veel Portugees lijkt voor te komen in de familienaam. Wat kan duiden op vooral Portugese handelaren, niet zo zeer op Portugese koloniën. De Portugezen waren veruit de grootste en oudste slavenhandelaren. En die hadden niks met de WIC, die is pas later opgericht.

Een foto van de moeder van Liesje met broers en zussen.. Te oordelen naar de leeftijd van de jonge baby’s, is de foto genomen eind 1939. (v.l.n.r.) Tante Lientje, op haar arm Stanley, oom Emile (voorkind) met n.n. vrouw, voor haar Hansje (jongste van ‘buitenman’ Leendert Riedé die ook de vader was van de andere kinderen, die daarom allen de naam van de moeder kregen), Leendert, Lena, en Marie (Liesjes moeder met de oudste zus van Liesje – Wonnie – op haar arm.

Slaven waren een post in de boekhouding en niet van de burgerlijke stand. Alleen bij de vrijlating werden de slaven onderdeel van de burgerlijke stand. Het is ook in Nederland sowieso moeilijk om stambomen te traceren van vóór 1811 (oprichting burgerlijke stand, registratie van bestaande namen onder Napoleon), laat staan voor mensen dus die als slaven ruim voor die tijd in Suriname terecht zijn gekomen.

Het lijkt er in de ‘mannelijke’ lijn zo uit te zien:

Willem Carel Sanches (* 24-09-1875, overleden 1-7 -1954), getrouwd met Jansje Albertina Adelaïde Karster (* 1889, overleden 1978). Uit dit huwelijk werden geboren:

  1. Wilhelmina Catootje Sanches, getrouwd met Dulder, eerst met een Rodgers (neef van Liesjes moeder);

  2. Simon Everhardus Hendrik Sanches (verbannen in 1948 naar Nederland, zie kader verderop);

  3. Willem Cornelis James Sanches, Liesjes vader (* geboren 2-3-1917 aan Steenbakkerijstraat 108c, overleden 17-10-2001);

  4. Jozef ( Jopie ) Sanches;

  5. Frits Sanches;

  6. Jean Sanches;

  7. Walter Sanches;

  8. Benjamin Sanches;

  9. Carla Rinia Sanches en

  10. Jan Sanches (die later zijn naam veranderde in Jona Ben Sanches).

Liesjes overgrootvader was Benjamin Marius Sanches, gehuwd met Wilhelmina Gravenstra. Hij was koster van de Hervormde kerk in Suriname. Net als diens vader (Liesjes betovergrootvader dus) trouwens: Benjamin Sanches (getrouwd met een vrouw Meriba, van wie de voornaam onbekend is). De familie Sanches is uitgewaaierd over de hele wereld: je komt ze o.m. tegen in de VS, Brazilië, Nederland en Duitsland). Ook zijn er Sanches van Joodse en Christelijke achtergrond.

Bijna blanke Surinamers

Van moeders kant (Rodgers) is Liesjes familie licht getint. Haar moeder was bijna blank. Bijna alle kinderen (met uitzondering van een voorkind Emile) zijn verwekt door Leendert Riedé die nooit met haar trouwde. Riedé was een blanke, Hollandse ingenieur die in Suriname terecht was gekomen om mee te helpen aan de aanleg van de enige spoorlijn die Paramaribo verbindt met (een gedeelte van) het binnenland.

Liesjes moeder (Sanches) met de oudste kinderen Wonnie (links) en Tilda, foto gemaakt in een fotostudio in Paramaribo.

Volgens de website ‘myheritage’ had hij ook een gezin in Nederland. Mathilde Petronella Rodgers was zijn ‘buitenvrouw’. Riedé blijft in Suriname hangen en wordt een succesvol zakenman. Hij bezat de volgende plantages: Witboitie, Buitenplaats en Helena Christina. Bij een brand in zijn eigen cassave-fabriek raakte hij blind. Over hem gaat het verhaal dat hij desondanks dagelijks 12 kilometer liep om melk, kaas en eieren te bezorgen bij instellingen als het ziekenhuis in Paramaribo.

Zijn (dus niet-officiële) dochter Francina Marie Rodgers (* 17-3-1919, overleden 18-2-1974, Paramaribo, Liesjes moeder) trouwt: Willem Cornelis James Sanches (*2-3-1917, Paramaribo, overleden 17-10-2001, Den Haag).

De technisch opgeleide vader van Liesje heeft tal van banen gehad, onder meer bij de Elektriciteitscentrale in Paramaribo; hij was van 1943-1945 militair op het vliegdekschip US, bezocht als zodanig Australië, Frankrijk en Nederland. Hij werkte later bij Kersten & Co in Paramaribo (op de rijwielafdeling); en werd in 1956 gevangenopzichter te Nieuw-Amsterdam/Commewijne en Santo Boma tot aan zijn pensioen, en emigreert – rond 1978 – uiteindelijk ook naar Nederland, de meeste van zijn kinderen achterna.

Verbannen couppleger Simon Sanches maakt

carrière bij Academisch Ziekenhuis in Leiden

‘Verbannen naar Nederland – Leiden’ Dat staat te lezen boven een foto (zie eerste familiefoto in dit verhaal) van de familie Sanches die waarschijnlijk eind 1948 is gemaakt in een Fotostudio. Er is in de geschiedschrijving van Suriname het een en ander geschreven over deze Simon, een oud-militair (vrijwilliger).

Er heerste na de oorlog algemene ontevredenheid over houding/gedrag/toezeggingen van de Nederlandse regering inzake de toekomst van het land. Suriname kreeg bv. pas in 1949 algemeen kiesrecht, dat in Nederland al gold vanaf 1919. Simon broedde op een plan om het gezag in Suriname omver te werpen en definitief een einde te maken aan het kolonialisme in zijn land.

Sanches verbleef meerdere jaren in Nederland voor werk en studie en verdiepte zich in de geschiedenis van zijn land en werd zich politiek bewust. Nog in Nederland maakte Sanches contact met voormalige oorlogsvrijwilligers uit Suriname die onder meer in Oost-Indië gevochten hadden. Deze mannen waren tijdelijk in Woerden en Austerlitz gelegerd in afwachting van hun terugkeer naar Suriname. Eenmaal teruggekeerd bleek het moeilijk voor deze vaak onopgeleide mannen om aan de slag te komen.

Sinds augustus 1947 was ook hij weer in Suriname (hij was behoorlijk populair onder het Creoolse deel van de bevolking), maakte gebruik van die ontevredenheid en wist een aantal van hen te winnen voor zijn coupplannen. Een van zijn volgelingen verraadde evenwel de plannen.

Simon Sanches voor de echter in 1947.

Op 6 november was bekend dat op het kampement aan de Verlengde Gemelandseweg een overval zou plaatsvinden. Op diezelfde dag werden 15 mensen, vooral oud-militairen gearresteerd (naast Simon ook zijn broer Jean). Uit verhoren bleek dat de overval een dag later zou plaatshebben. Sanches en meer oud-strijders werden dus opgepakt. De groep bleek zeer goed op de hoogte van de situatie van leger en politie, en algemeen was de inschatting dat de poging een goede kans van slagen zou hebben gehad.

Naar aanleiding van deze couppoging ontstonden brede discussies (bij de witte overheid) over de veiligheid in Suriname. Het leger (vooral witte Nederlanders) moest worden uitgebreid, en niet de politie (vooral etnisch Surinaams), waarin de witte Nederlanders weinig vertrouwen hadden.

Na een korte gevangenisstraf ging Sanches – volgens mijn schoonmoeder was hij verbannen en mocht niet meer terugkeren – in 1948 en weer naar Nederland, Leiden, waar hij in het land van de ‘kolonialen’ een carrière in de gezondheidszorg opbouwde.

Simon Everhardus Hendrik Sanches werd geboren op 9 augustus 1915, Ambawara, Semerang, Midden-Java, Nederlandsch-Indië. Zijn vader was eveneens militair en reisde in die functie de wereld rond met zijn vrouw; vandaar dat Simon ver van Suriname werd geboren. Simon overleed 16 augustus 2002, in het ziekenhuis in Leiderdorp. Getrouwd, later gescheiden, met Maria Cornelia Reijman, verkoopster, geboren 14 juli 1914, overleden Leiden 1994, begraven Den Haag): vijf kinderen.

In oude kranten is een en ander terug te vinden over de ‘kwestie-Sanches’:

De Leidse Courant van 10 november 1947 meldt:

”Naar Aneta (Algemeen Nieuws- en Telegraaf-Agentschap – Aneta – was een persbureau opgericht in 1917 in Nederlandsch-Indië, dat nieuws doorgaf aan dagbladen in Nederland) verneemt, heeft de Surinaamse politie een samenzwering van jonge lieden ontdekt, die van plan waren een voorlopige regering te vormen na het bezetten van de militaire barakken, het hoofdkwartier van politie en de telefoon- en telegraafinstallaties. De leider hiervan was Simon Sanches, een Surinamer, die na verscheidene jaren in Nederland gewoond hebbende, onlangs in Suriname is teruggekeerd. Hij heeft zijn plannen voor deze samenzwering reeds bekend.

Simon Sanches is 32 jaar en heeft bij de Nederlandse marine als verpleger gediend. Hij heeft een Nederlandse vrouw en vier kinderen, die ook in Suriname vertoeven. Donderdagavond werd hij gearresteerd en bekende hij dat het tijdstip van het omverwerpen van de Surinaamse regering was bepaald op Vrijdagavond j.l. Het plan bestond om gouverneur Brons onder arrest te stellen en iemand van eigen keuze aan het hoofd van de voorlopige regering te plaatsen.”

Nieuwe Leidse Courant van 8 januari 1948:

”Kort nieuws van overzee. Simon Sanches, die in Suriname een complot had gesmeed om de regering omver te werpen, staat 26 Jan. terecht.

Ook de jongere broer Jean van Simon was bij de samenzwering betrokken, getuige onderstaand bericht:

Leidsch Dagblad van 8 maart 1948: ”De soldaten James MacBean, Frederik Koulen en Jean Sanches (broer van Simon Sanches, die onlangs werd veroordeeld wegens poging tot omverwerping van de Surinaamse regering) zijn in de zaak-Simon-Sanches veroordeeld tot 15 maanden met aftrek van 4 maanden voorarrest en tot ontslag uit dienst met het verlies van het recht om in dienst te treden. De soldaten Balgen en Krolis werden veroordeeld tot zes maanden met aftrek van vier maanden voorarrest en ontslag en het verlies van het recht om dienst te nemen wegens het niet bekendmaken van deze samenzwering aan de overheid.”

De gevangenisstraffen hebben niet lang geduurd, want reeds in april 1948 werd amnestie verleend.

Leidsch Dagblad, 6 april 1948.

”Gouverneur Brons van Suriname heeft, in verband met de grotere staatkundige onafhankelijkheid van Suriname, amnestie verleend aan Simon Sanches en de vijf militairen, die onlangs werden veroordeeld wegens samenzwering tegen het Gouvernement.

Over omstandigheden, sfeer en acties van de ‘coupplegers’ is heel weinig geschreven in de media. Pas in 1988 vertelt John Heinhuis op 62-jarige leeftijd, een Amsterdammer die tussen 1947 en 1949 als oorlogsvrijwilliger in Suriname verbleef, het een en ander in de Leidse Courant (van 10 oktober 1988). Kennelijk zijn zijn herinneringen niet helemaal in orde. Heinhuis heeft het over mei 1949, terwijl de poging reeds plaatshad in november 1947!

De krant meldt: ”Hij (Heinhuis dus) is een van de weinigen die te maken kreeg met een greep naar de macht, althans en poging daartoe. Die kwam van Simon Sanches, een burger die ooit bij de Koninklijke marine diende. ”Door klaarheid tot waarheid” was het manifest dat Sanches en de zijnen op 25 mei 1949 aan komen en gebouwen in Suriname spijkerden. Ook al heeft deze poging tot een machtsovername nauwelijks de pers of de geschiedschrijving gehaald, Heinhuis ”weet het nog als de dag van gisteren.” De vrouw van één van de raddraaiers ging over de plannen voor de machtsgreep biechten bij de pastoor en die – het landsbelang was in het geding – heeft het aan de autoriteiten doorgegeven.”

”Maar ze hadden ons de hals wel kunnen doorsnijden”, zegt John Heinhuis. Maar een trauma, hij zegt het er niet aan over te hebben gehouden. Wel bleef hem dwars zitten dat die Sanches later een erebaantje heeft gekregen als apotheker bij ’s Lands Hospitaal in Suriname. ”Eén van de raadselen van die tijd”.

Naar aanleiding van publicatie over zijn vader Simon Sanches op www.leidsehenkie.nl, reageerde zijn zoon Francisco in najaar 2019 met de navolgende informatie:

”Mijn vader is in 1934 naar Nederland gekomen door de slechte sociale-, politieke- en gezondheidstoestand van zijn land en om hier een opleiding te volgen. Hij is hier voor de oorlog opgeleid tot medisch analist en heeft in de oorlog gediend bij de marine als verpleger.

Hij heeft in Den Haag mijn moeder leren kennen, is in 1942 getrouwd en zij zijn gaan wonen in Utrecht, waar 4 van de 5 kinderen zijn geboren, waaronder ik. In 1947 is het gezin weer teruggekeerd naar Suriname om daar verder een toekomst op te bouwen. Een dochter is daar geboren.

Doordat de toestand van de bevolking van met name de creoolse mensen zeer slecht en nauwelijks verbeterd was, is mijn vader praktisch politiek actief geworden! Na de problemen in Suriname is het hele gezin naar Nederland teruggekeerd en zijn gaan wonen in Den Haag, waar mijn vader zijn medisch beroep weer heeft uitgeoefend. Begin jaren ’60 is het gezin naar Leiden verhuisd omdat mijn vader een baan kreeg in het Academisch ziekenhuis in Leiden.

Bij het AZL heeft mijn vader flink carrière gemaakt. Hij werd hoofd van het Hematologisch Laboratorium, waar hij gespecialiseerd raakte in bloedonderzoek en -ziekten. In 1966 is hij i.v.m. zijn deskundigheid door de overheid uitgezonden naar de Sudan (1,5 jaar) om bloedziekten te onderzoeken/bestrijden en onderricht te geven. Daarna heeft hij nog korte gewerkt in het Academisch Ziekenhuis, waarna hij begin jaren 70 gepensioneerd raakte. Mijn vader heeft tot zijn dood in Leiden gewoond, maar is overleden in het Alrijne ziekenhuis in Leiderdorp, waar ik bij was. Ik woon, evenals mijn jongste zus, in de Merenwijk.” (reactie najaar 2019)

In oude krantenleggers is nog meer te vinden over Simon. Volgens een krantenbericht van september 1964 in het Leidsch Dagblad:

‘Gevestigde personen in Leiden in de week van 26 aug.-2 sept. 1964). Gevestigd: S.E.H. Sanches en familie, med. analyst, Toscaninilaan 7.’

In zijn periode in Leiden was Simon ook actief in de politiek. Hij was blijkens een artikel op 29-4-1965 in dezelfde krant voorzitter van de afdeling Leiden van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP).

(Bronnen: ‘De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863 – 1975 van Ellen Klinkers, familie-info van ‘myheritage’, Leidsch Dagblad, Leidse Courant en Nieuwe Leidse Courant).

Kosters van de hervormde kerk

Zowel Liesje grootvader als overgrootvader (van vaderskant) waren als koster verbonden aan de hervormde kerk in Paramaribo. Het kerkgebouw bestaat nog steeds.

Het ‘nieuwe’ kerkorgel van de kerk, geschonken door Koning Willem II.

De voorganger van het huidige hervormde kerk in Paramaribo werd in 1810 gebouwd en Centrumkerk genoemd. De kerk stond (op het Kerkplein, de voormalige Oranjetuin) centraal tussen de huizen en stak daar ruimschoots bovenuit. Het was een achthoekige koepelkerk, gebouwd op initiatief van dominee Van Esch, ingewijd in 1814. In 1821 brandde zij af. In 1833 werd weer een nieuwe achthoekige kerk gebouwd op dezelfde plek, die op 5 juli 1835 werd ingewijd. Er werd een kerkorgel besteld bij orgelbouwer Carl Friedrich August Naber in Deventer maar dat is als gevolg van schipbreuk in de oceaan ten onder gegaan. Naber maakte een nieuw orgel, waarvoor Koning Willem II betaalde, en dat werd in 1846 in gebruik genomen. De kerk bleef een staatskerk tot 1975, toen Suriname onafhankelijk werd. Zij diende als parlementsgebouw bij de afkondiging van de Onafhankelijkheid van Suriname in 1975.

 

Geboren aan de Grote Combéweg

Liesje is geboren aan de Grote Combéweg 12 in Paramaribo. In een vrijstaand houten huisje aan de wegkant (met daarachter nog twee of drie panden voor andere mensen), pal naast de woning van oma Sanches die op nummer 14 woonde. Dat was een pand van gedeeltelijk stenen opbouw/voet, gebouwd op een lang gerekt perceel (zonder andere woningen) dat doorliep naar de andere straat er achter, met flink wat fruit- en vruchtbomen als bv. suusterdruif (een druivensoort die het wonderwel goed deed in buurt van wc’s; ze waren hard, maar door er op te wrijven werden ze zacht) en bomen met mopé (kleine, gele vrucht, wat zuur) en pommerakbomen (kleine zoete peer).

Liesjes vader in de dienstkleding die hoorde bij de functie van ‘brigadier gevangenbewaarder’.

Opa Sanches was militair in Suriname. Volgens Liesje hadden opa en oma het niet slecht. Ze hadden ook nog een perceel grond in Braamshoop (onderdeel van de vroegere plantage in de omgeving van Leliedorp). Die grond werd onder meer gebruikt voor groenteteelt. Liesje vader werd geregeld door diens moeder naar de ’tuin’ gestuurd om te wieden, soms omdat hij lastig was maar ook omdat oma zelf bepaald niet van wieden hield.

Liesje was 6 jaar toen het gezin verhuisde (in 1953). Het huisje was veel te klein geworden voor het inmiddels zes kinderen tellende (met de zevende op komst) gezin. Het huurhuis werd ‘omgeruild’ voor een koophuis in Zorg en Hoop, een buitenwijk van Paramaribo. Liesje herinnert zich dat er ook wel wat spanningen waren tussen haar moeder en grootmoeder. Volgens de familie-anekdotes stapte oma heel gemakkelijk bij haar schoondochter binnen om etenswaren van haar gading te snaaien.

Het nieuwe huis was van steen, had meer slaapkamers en was ook vrijstaand.

Na een paar jaar (1956) was de familie min of meer gedwongen opnieuw te verhuizen. Liesjes vader was als elektricien (hij had daarnaast heel vaak privéklusjes – kon ook nooit een klus weigeren) verbonden aan Kersten (een bedrijf met Duits/Nederlandse achtergrond), het eerste warenhuis in Paramaribo. Hij was ontslagen omdat hij op zijn kleding reclame maakte voor de NPS, de Nationale Partij Suriname, een partij vooral van de gewone Surinaamse mensen. Daar waren de bazen (‘de elite’) niet van gediend, dus hij moest vertrekken want hij weigerde zich aan te passen.

Naar Nieuw Amsterdam, gevangenbewaarder

Het gezin Sanches midden jaren vijftig.

Vader Sanches moest gaan solliciteren. Hij werd aangenomen als gevangenbewaarder in

Nieuw Amsterdam. Dat is 11 kilometer verwijderd van Paramaribo, op een route die wordt doorsneden door de Surinamerivier (die moest worden overgevaren). Bovendien kreeg Sanches een bedrijfswoning, zodat de keuze om te verhuizen makkelijk was. Nieuw Amsterdam was de naam van zowel de gevangenis als het dorpje/district van – zo rond 1957 – een kleine 500 mensen (schat Liesje anno 2020), van wie velen op een of andere manier van de gevangenis afhankelijk waren. In Nieuw Amsterdam zaten volgens Liesje zwaar-gestraften: moordenaars, verkrachters, etc.

Nieuw Amsterdam: bastion in Tijgershol

Nieuw-Amsterdam is een ressort en de hoofdstad van het district Commewijne. De plaats ligt aan de samenvloeiing van de rivieren Suriname en Commewijne. Nieuw-Amsterdam telt circa 5650 inwoners (telling anno 2016), overwegend Javanen en Hindoestanen. De plaats is bij de districtsbewoners ook wel bekend als “Kila” (Hindi-woord voor ‘fort’) of “Njun Foto” (in het Sranantongo).

De oude gevangenis is thans een attractie voor toeristen.

Nieuw-Amsterdam is anno 2016 het belangrijkste regionale centrum van Commewijne vanwege de aanwezigheid van het districtscommissariaat, het kantoor van de gewestelijke politiecommandant alsook van de bestuursdienst. Verder is er ook een politiepost, de polikliniek van de Stichting Regionale Gezondheidsdienst annex dokterswoning, die een koloniale bouwstijl heeft, en de brandweerkazerne van het district. Ook zijn er een bibliotheek, twee scholen voor het basisonderwijs (een openbare en een van de Evangelische Broedergemeente) en een school voor MULO. In het woongebied grenzend aan het fort zijn de oude officierswoningen te zien die een bouwvallige indruk maken, maar haast allemaal bewoond zijn door de lokale ambtenaren in overheidsdienst.

De plaats ligt op de plek waar vroeger een modderbank lag, genaamd Tijgershol. Daar werd in de koloniale tijd een fort gebouwd, waaraan nog altijd de stervormige oever herinnert. Het Fort Nieuw-Amsterdam werd gebouwd tussen 1734 en 1747 in de vorm van een regelmatige vijfhoek met bastion-punten. Samen met andere forten diende het als een verdedigingslijn tegen vijandelijke vloten. Aan de kustlijn zijn nog altijd grote kanonnen uit de Tweede Wereldoorlog te zien, hier opgesteld door de Amerikanen ter bescherming van de ingang van de rivier Suriname tegen Duitse schepen. Het open-luchtmuseum op het terrein van het fort (een deel van de voormalige plantage Dageraad) is een bekende trekpleister voor toeristen en de nationale bevolking.

Vanaf 1873 was in Nieuw-Amsterdam de gevangenis gevestigd, die diende voor internering van de gevangenen die een ernstig delict hadden gepleegd, de zogenaamde “zwaardere criminelen”. Deze inrichting werd eind jaren zestig verplaatst naar Santo Boma in het district Wanica, eveneens in een bewoonde omgeving in Suriname. De oude gebouwen maken deel uit van het open-luchtmuseum, waar ook het laatste lichtschip van Suriname nog te zien is. De oude strafgevangenis is begin 21ste eeuw gerestaureerd en wordt sedertdien vaker gebruikt voor het houden van exposities en andere culturele evenementen.

Sinds de opening van de Jules Wijdenbosch-brug (in 2000) is de plaats – zowel als het gehele district Commewijne – ook gemakkelijk per auto vanuit Paramaribo bereikbaar geworden; vroeger was de oversteek met een veerboot via Meerzorg (meer landinwaarts) of via Leonsberg (waar de bus naar Paramaribo vertrok) noodzakelijk. De oude veerverbinding tussen Paramaribo en Commewijne (Meerzorg) is met de ingebruikname van de brug vervallen. (bron Wikipedia, met aanvulling van Liesje)

Smerige bedrijfswoning vol vleermuizen

De bedrijfswoning die de familie Sanches betrok, was ruim en oud, maar vooral heel vies omdat die jaren niet meer bewoond was geweest en inmiddels het onderdak van vleermuizen was geworden. Omdat gevangenen voor ‘algemeen nut’ werden ingezet, kregen zij de opdracht de woning schoon te maken.

Omdat er geen leidingwater in Nieuw Amsterdam was, brachten gevangenen eens in de week in houten vaten schoon water (met een juk op de schouders) die werden gestort in een zinken bak achter het huis. Dat water werd gebruikt om te drinken, te koken en om te douchen – als er nog wat over was. De broers en zusjes van Liesje zwommen – als een vorm van douchen – ook wel in de Surinamerivier. ‘Op z’n hondjes’, want echt zwemmen hadden ze nooit geleerd.

In Nieuw Amsterdam was wat onderwijs betreft toen alleen een lagere school, waarvan Liesje de derde t/m de zesde klas doorliep. Het onderwijs was van beperkt niveau, want ze moest de 6de klas overdoen op de Juliana-school aan de Gravenstraat in Paramaribo. Liesje hield van leren en wilde per se naar het voortgezet onderwijs. Dat was er alleen in Paramaribo. Dus liep zij vanaf haar 12de dagelijks naar de Surinamerivier om over te steken naar in Leonsberg (waar niet veel meer te doen was dan de aanwezigheid van een chinees winkeltje) met de veerboot (voor wandelaars en fietsers). Aan de andere kant wachtte de schoolbus om de tientallen scholieren uit Nieuw Amsterdam en wijde omgeving vervolgens bij diverse scholen in Paramaribo af te zetten.

Liesje had een moeilijk jaar in de zesde klas in Paramaribo, want ze werd – als nieuwkomer/als vreemde eend in de bijt – veel gepest, vooral met scheldwoorden als ‘Santjes’ (zo wordt de naam Sanches in Suriname uitgesproken), ‘kousenbandjes’, ‘gele tandjes’. Liesje wilde niet meer naar school gaan, maar de drang om te leren bleek sterker. Zij beklaagde zich bij haar oudere zus Thilda over die pestkoppen. Nadat die de plaaggeesten eens flink door elkaar had geschud, had Liesje er geen last meer van hen. Na de lagere school wordt Liesje – na een toelatingsexamen – toegelaten op de MULO van de Hendrik-school, eveneens gelegen aan de Gravenstraat, maar wel een heel eind verder.

Als ze 16 is ontmoet ze haar grote liefde, de man van wie ze vlinders in de buik kreeg: August Cabenda. In verband met de uitbreiding van de bajes Nieuw Amsterdam, die gestalte kreeg vlak achter de bedrijfswoning van de familie, was er veel nieuw personeel aangetrokken. En op een dag wandelt August voorbij op weg naar zijn werk in de nieuwe vleugel, terwijl Liesje en haar moeder hem vanaf het balkonnetje gade slaan. ,,Wat een onbeschofte man die voorbijloopt en niet groet”, zei Liesjes moeder die August alreeds kende van Paramaribo. Liesje dacht bij zichzelf: wat een knappe man. Ze zag hem pas een tijdje later weer op de pont: Liesje ging naar school en August ging, in omgekeerde richting, naar zijn werk. Ze spraken wat met elkaar, verder niets bijzonders.

De foto die van Liesje werd gemaakt in 1962 toen ze voor het eerst kennis maakte met August.

Op zaterdag 28 december 1962, Liesje weet anno 2017 de datum nog heel goed, ging zij naar Paramaribo om boodschappen te doen voor haar moeder. Ze kwam August tegen die, komende uit de nachtdienst, op weg was naar huis. Hij had zijn uniform aan en ging naar huis om zich om te kleden. Aan de andere kant van het water pakten ze de bus richting stad. Terwijl August zich omkleedde, deed Liesje boodschappen bij Vervuurt (supermarkt in de Domineestraat). August haalde Liesje met de fiets op en zei dat ze naar zijn tante gingen.

Liesje en August gaan ook samen langs bij een vriend van hem, fotograaf Boschman die een fotostudio heeft in de Waaldijkstraat, alwaar een foto van Liesje wordt gemaakt. Ze heeft ‘m nog. Als Liesje aanstalten maakt terug te keren naar Nieuw Amsterdam, zegt August: ,,Krijg ik geen kusje dan?”

Op een dag komt Liesje thuis na school en ziet een Hindoestaanse vrouw die ze niet eerder had gezien. De vrouw draagt een baby in haar armen en ze maakt ruzie met een bewaker van de gevangenis. Het bleek, hoorde Liesje later, om August te gaan. Ze komt er achter dat de vrouw de concubine van August (hij was ‘op papier’ nog getrouwd met Ilse Hartogh) was: Nelly Tewari, met wie hij vijf kinderen kreeg. De ruzie ging kennelijk over centen; August droeg niet of onvoldoende af voor de zorg van zijn gezin.

Het is voor Liesje allemaal geen reden om de relatie te beëindigen, ondanks zijn kennelijke leugens en bedrog. ,,Terugkijkend op die tijd denk ik weleens dat ik thuis liefde en aandacht te kort kwam. August was voor mij toen verschrikkelijk lief en zorgzaam”, zegt Liesje anno 2017 daarover. De relatie zet zich voort, met als gevolg dat Liesje, 16 jaar oud, zwanger wordt.

Haar ouders weten echter van niks, moeten het verhaal horen van haar broertje. Haar vader is echt furieus, wil haar een aframmeling geven. Uit angst slaat Liesje op de vlucht, haar vader achter haar aan. Liesje weet zich te verbergen onder een huis, en klopt – als het gevaar geweken is – aan bij een buurvrouw. Ze mag zich daar douchen en vertrekt dan naar Paramaribo, naar tante Mina, een zus van haar vader. Later keert zij terug naar de ouderlijke woning, maar er was geen contact met haar vader; er werd niet meer gesproken tussen hen. Als haar vader thuis was, verbleef Liesje meestal op haar slaapkamer.

In die tijd kreeg ze veel steun van haar oudere zus Thilda die in Paramaribo woont. Liesje is 16 jaar en 11 maanden als Chiquita op 10 april 1964 wordt geboren (in Nieuw Amsterdam). Ze woont bij haar ouders met de kleine meid, maar op veel financiële steun van August hoeft ze niet te rekenen. Af en toe schoof hij wat geld, maar nooit genoeg voor de kosten van de zorg voor moeder en kind. Haar school, de MULO, heeft ze nooit afgemaakt.

Hoewel nog maar kort daarvoor uitgebreid, sluit de gevangenis Nieuw Amsterdam. In het district Wanica, in Paramaribo, worden voorbereidingen getroffen voor Santo Boma, een nieuwe gevangenis met moderne voorzieningen (onder meer stromend water, moderne hygiënische voorzieningen). August wordt ingezet voor de voorbereidende werkzaamheden, het open kappen van het perceel. Hij laat niks meer van zich horen.

Ook het gezin Sanches – pa werkte immers ook in de gevangenis – was met de voorgenomen sluiting gedwongen terug te verhuizen naar Paramaribo. Liesjes familie betrekt een huurhuis aan de Tourtonnelaan. Aanvankelijk was het de bedoeling dat het gezin zou terugkeren in de eigen woning op Zorg en Hoop (Koto Misiestraat 21). Dat huis was evenwel langdurig verhuurd en de bewoners wilden er niet uit.

Via haar zwager Runaldo Valies (partner van Wonnie) ontmoette Liesje Tommy Sabajo met wie een relatie ontstaat. Niet dat August helemaal uit haar gedachten was verdwenen, maar ze leert van Tommy houden. Liesje daarover: ,,Hij was lief en attent, zorgde goed voor mij en de kinderen. En ook mijn ouders waren blij met hem”. Tommy werkte doordeweeks op Afobaka in de rimboe bij het onderhoud en beheer van de de Brokopondo-stuwdam bij het Van Blommenstein-stuwmeer. Maar wat voor werk hij precies deed, weet ze niet meer. In de weekeinden was hij bij Liesje in Paramaribo.

Stroom dankzij stuwdam in de rimboe

Het Brokopondo-stuwmeer (voorheen Prof. dr. ir. W.J. van Blommestein-meer genoemd) is de naam van het stuwmeerin het Brokopondo-district met een oppervlakte van 135 duizend hectare, ongeveer zo groot als de provincie Utrecht. Het meer is ontstaan na de bouw van de Afobakadam, een stuwdam in de Surinamerivier. Het meer is groot en nergens dieper dan veertig meter. Toen de dam aangelegd werd, is het gebied dat onder water zou lopen niet kaalgekapt. Daardoor steken er kruinen van bomen boven het water uit en is visvangst met netten onmogelijk.

Tot het uitvoeren van dit project is in de jaren vijftig van de twintigste eeuw besloten. In 1915 werd bauxiet in Suriname ontdekt, onder meer in het district Marowijne bij Moengo, maar ook elders. Om bauxiet te verwerken tot aluminium is veel elektriciteit nodig die daar zou kunnen worden opgewekt met waterkracht. W.J. van Blommenstein ontwierp een stuwdam van 54 meter hoog in de Surinamerivier. De stuwdam zou aanvankelijk bij Brokopondo worden gebouwd, maar het enkele kilometers stroomopwaarts gelegen Afobakableek meer geschikt. De stuwdam heet dan ook Afobakadam. Bauxiet heeft een grote rol gespeeld bij de oorlogsindustrie in de Tweede Wereldoorlog. In 1948 werd ook in het Nassau-gebergte bauxiet ontdekt.

Het Brokoponomeer.

In verband met het ontstaan van het meer moesten ongeveer vijfduizend marrons, waaronder ongeveer 2000 uit Ganzee, verhuizen. Voor hen werden transmigratiedorpen ingericht, maar de huizen waren erg klein en de toegezegde schadevergoeding was ca. 6 gulden per persoon. De uitbetaling werd ter plekke in de nieuwe dorpen gedaan. Naast vast personeel waren ook tijdelijke krachten ingehuurd om het proces in goede banen te leiden.

Met de bouw van de hoofdstuwdam werd begonnen in 1960. Hij werd 1300 meter lang. Er moesten ook 14 hulpdammen gebouwd worden om te verhinderen dat het water wegliep. Op 6 februari 1964 werd de hoofddam gesloten en enkele maanden later was het meer vol en kon met waterkracht elektriciteit worden opgewekt. De stroom werd gebruikt in de aluminiumsmelter van Suralco in Paranam. Sinds de sluiting van de smelter in 1999 wordt het grootste deel van de elektrische energie in Paramaribo verbruikt.

(Bron Wikipedia)

Met geldlening van vader naar Nederland

Omdat de economische perspectieven in Suriname eind jaren zestig slechter werden, besluit Tommy naar Nederland te emigreren. Hij belooft Liesje geld te sturen en dat hij haar en de kinderen op termijn zou laten overkomen. Maar van al die beloftes komt niets terecht. Ze ontvangt één keer een brief van Tommy en daarna heeft ze nooit meer iets van hem vernomen.

In Paramaribo komt ze ‘onverwachts’ (de kans dat dat zou gebeuren was natuurlijk groot want Paramaribo was nog een overzichtelijk dorp) August weer tegen. Ze spreken af een keer uit te gaan en August komt haar met de auto ophalen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en er ontstaat opnieuw een liefdesrelatie.

Het gaat dan financieel best goed met August. Hij heeft twee banen. ’s Avonds werkt hij op contractbasis als muzikant in een hotelketen van een internationale Condadogroep in hotel Torarica. Daarmee verdiende hij 210 Surinaamse guldens in de week. En werkte overdag voor Jong-Tien-Fa, een keten van winkels, waarvoor hij tussen 9.00 en 13.00 uur rekeningen inden, geld ophaalde. Hij verdiende goed en lijkt zijn verplichtingen als vader van diverse kinderen meer serieus te nemen. Zo brengt hij bijvoorbeeld Anne (van Ilse) en Carl van Nelly Tewari, ’s morgens naar school, en ook Liesje ontvangt af en toe wat geld voor de opvoeding van haar dochters. Liesje raakt opnieuw zwanger van hem en op 8 juli 1968 wordt zoon Maikel Eddy (later door hemzelf Pablo genoemd) geboren.

August onttrekt zich al gauw aan zijn ouderlijke verplichtingen en verantwoordelijkheden. Liesje moet weer op een houtje bijten. Ze werkt inmiddels bij de Lands Telegraaf- en Telefoondienst waar ze per week 75 Surinaamse guldens (toen meer waard dan de Hollandse gulden) per maand verdient. Daarnaast krijgt ze 3,50 Surinaamse guldens voor Chiquita, 3 guldens voor Monique, 2,50 voor Maikel. Dankzij de hulp van haar ouders, waar zij dan nog steeds inwoont, redt ze het allemaal net.

Liesje wordt onverwacht met de neus op de feiten gedrukt waar het gaat om haar slechte financiële situatie. Chiquita breekt haar pols en ze krijgt van het ziekenhuis een vette rekening van 75 gulden. Ze heeft geen ziektekostenverzekering (omdat die niet bestonden; iedereen betaalt zelf). Voor de hele armen bestond er toen wel een regeling voor vergoeding van de kosten. (Oud-)militairen hadden hun eigen ziekenhuis. Daarnaast was voor beter gesitueerden het katholieke door nonnen geleide Sint Vincentius Ziekenhuis. ’s Lands Hospitaal was er voor de minder bedeelden).

Liesje lag ooit – toen ze circa 6 jaar was – in Vincentius tegelijk met Jimmy en Thilda (voor een liesbreuk evenals Thilda; Jimmy werd besneden volgens de (joodse) traditie zoals die in haar familie gangbaar was).

Liesje heeft het op een gegeven moment helemaal gehad met Suriname en haar financiële sores. Omdat ze geen cent te makken heeft, smeekt ze haar vader de kosten van een ticket naar Nederland voor te schieten. Maar die laat zich niet snel vermurwen,. Uiteindelijk kon Liesje haar vader toch overhalen en hij betaalde haar overtocht naar Nederland.

Op 8 oktober 1969 vertrekt zij met Maikel – haar beide dochters Chiquita en Monique blijven bij haar ouders – om op 9 oktober aan te komen bij haar zus Thilda, die woonde in een huurhuis aan de Stortstraat in Den Haag. Liesje blijft bij haar zus en Maikel wordt overdag ondergebracht bij de overburen, de familie Willem en Lien Tom. Aardige mensen, herinnert Liesje zich, maar ze waren slordig, onfris. (Opmerking schrijver dezes: het valt mij op dat in die tijd Surinaamse mensen zich veel vaker baadden dan Nederlanders. Zelf ging ik – net als mijn ouders – in die tijd slechts eens per week in bad/onder de douche!). Dat alles gaf Liesje geen goed gevoel. Na een paar maanden reist Maikel met Liesjes zusje Rita, die woonde bij Thilda, mee terug naar Suriname om daar te worden opgevangen door zijn opa en oma.

Liesje heeft maar liefst drie banen tegelijk!

Het zal hooguit een paar dagen hebben geduurd voordat Liesje aan het werk gaat, want ze wil zo snel mogelijk het door haar vader voorgeschoten geld terugbetalen. Na zich te hebben ingeschreven bij de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag – ,,ik schrok van dat enorme stadhuis” – gaat ze aan de slag bij een bollenboer in Lisse. Een baantje dat ze vond in de krant.

Vanaf Holland Spoor vertrok eens per uur een bus die rechtstreeks naar Lisse reed. ,,Ik herinner mij dat het verschrikkelijk koud was – het was half oktober. Ik had een nep-leren jas, geen handschoenen. Ik voelde me hopeloos verloren en moest huilen van verdriet en eenzaamheid. Ik schat dat ik zes/zeven weken dagelijks op en neer ben gegaan naar Lisse om bollen te pellen”, aldus Liesje.

Het oude stadhuis van Den Haag aan het Burgemeester de Monchyplein waar Liesje vanaf 1 januari 1970 vele jaren met plezier werkte.

Op 1 december 1969 begint ze aan de verpleegopleiding bij Verpleegtehuis Bosch en Duin. Ze is daar hooguit een maand geweest, want op 1 januari 1970 krijgt ze een baan op het (oude) Stadhuis aan Burgemeester de Monchyplein, op de afdeling bestuurlijke en juridische zaken, administratief werk. Een fulltime baan (40 uur) waarvoor ze het salaris van 407,80 gulden per maand krijgt. Intussen heeft ze een kamer gevonden bij ene mevrouw De Visser aan de Cronjéstraat 35, een kleine verblijfsruimte zonder badkamer. Ze baadt en wast zich zo goed als dat kan dagelijks in een aluminium teil, die ze zelf had gekocht, met warm water uit een waterkokertje. Om de twee dagen gaat ze douchen bij haar zus Thilda in de Stortstraat.

Hoewel Liesje heel erg blij is met haar werk op het Stadhuis, neemt ze – om de inkomsten op te schroeven – er nog een baan bij. Ze gaat kantoren van de Rijks Geneeskundige Dienst aan de Noordwest Buitensingel in Den Haag schoon maken, werk van 18.00 tot 21.00 uur, vijf dagen in de week. Ze ging dan vanaf het Stadhuis, waar het werk rond 17.00 uur afliep, naar de Buitensingel, nam tussendoor even de tijd om, vaak bij de Hema, een taartje of een saucijs te nuttigen, want tijd om te koken was er niet. En op de koop toe nam ze ook zaterdagochtend nog een baantje: archiefwerk bij de Shell aan de Carel van Bylandtlaan. Ze stuurde elke maand geld naar haar ouders voor de zorg van haar kinderen en om haar schuld af te lossen. In zes maanden tijd had ze de schuld aan haar vader betaald.

Eigen huis in de Schilderswijk

In 1971 hoort ze van een kennis dat die zijn huis in de Teniersstraat 58 in de Schilderswijk wil verkopen. ,,Alles is beter dan waar ik nu woon”, dacht Liesje toen. Ze werd bij de aankoop geholpen door haar leidinggevende op het stadhuis. Met volledige gemeentegarantie kocht zij de 30.000 gulden kostende woning. Het was een flink huis (bovenwoning) met op de ‘eerste’ etage drie kamers en op de verdiepingen daarboven nog eens vijf kamers. Het huis zou volgens de koopakte leeg worden opgeleverd, maar Liesje trof bij binnenkomst toch nog bewoners aan, drugsverslaafden die niet weg wilden. Maar een kennis van haar, een flinke vent, wist de illegale bewoners er uit te zetten met enige zachte dwang.

De Tenierstraat in Den Haag in 1973 (Schilderswijk) waar Liesje een huis gekocht, overigens al in een tijd dat de wijk aan het verpauperen was.

Het huis was evenwel totaal uitgeleefd, en er was wederom geen badkamer. Het toilet was zo smerig dat ze ervan moest gruwen en bijna kokhalzen, maar ze had geen geld om een nieuwe toiletpot te kopen. Ze gebruikte zoveel afbijt- en schoonmaakmiddelen dat ze er letterlijk ziek van werd, maar moest ondanks alles wel blijven werken. Ze gebruikte zelfs een beitel om de aanslag van de wc-pot af te bikken. Met provisorische middelen, en met hulp van haar broer Frankie (dienstplichtig militair, uitgezonden naar Suriname, woonde in Stortstraat, in het huurhuis van Thilda, die was verhuisd naar Enschede), knapte ze op de eerste etage twee kamers op die dienst gingen doen als woon- en slaapkamer. De derde kamer op die verdieping werd door haar verhuurd.

Zowel in 1970 als in 1971 bezoekt ze haar ouders en haar kinderen in Suriname. De eerste keer is er een actie van KLM voor een driedaagse reis naar Suriname voor 100 gulden. In 1971 was de directe aanleiding om naar Suriname te gaan de onverwachte ziekte van haar moeder. Ze krijgt een Telegram en vermoedt dat het ernstig is, en wil naar haar kinderen. Ze krijgt hulp van alle kanten om naar Suriname te gaan. Liesje daarover: ,, Soms zit alles tegen en nu, zo had ik het gevoel, zat écht alles mee. Ik kreeg heel veel steun. De ticket werd voor me betaald door de gemeente Den Haag, en ik ben tijdens mijn verlof gewoon doorbetaald. Ik ben toen twee weken in Suriname gebleven. Mijn moeder knapte gelukkig weer op en ik ging terug naar Nederland.”

August Cabenda op de stoep in Den Haag

Op een dag in de zomer van 1972 kreeg ze op het Stadhuis een telefoontje. Het was August die vertelde dat hij in Den Haag was, nota bene in haar woning, omdat de huurster voor hem had opengedaan. Het was, gezien zijn gedrag in het verleden, wel het laatste dat Liesje had verwacht. En tegelijk moest ze – een paar dagen later – op het stadhuis een leugen recht zetten. Ze had bij indiensttreding gezegd dat ze weduwe was.

Toen ze naar huis ging, trof ze daar een man aan vol beloften en goede voornemens ,,Liesje, ik ga bij je blijven. Ik ben met geld gekomen en ik wil met je trouwen en de kinderen naar Nederland halen”. Ze ging overstag en akkoord met zijn verblijf in haar huis. Het eerste wat August deed was daar met eigen handen een douche maken.

Liesje vond later in de papieren van August een retourticket waarmee hij terug zou kunnen keren naar Paramaribo. Woedend verscheurde ze het in ‘duizenden’ stukjes. Tot groot verdriet van August die zei dat hij per se nog een keer terug moest om financiële zaken daar definitief af te wikkelen. Hij barstte bijna in tranen uit na het zien van al die snippers. Met plakband en lijm heeft hij de reispapieren weer gefatsoeneerd. Dat kostte wel wat tijd. Op Schiphol keek een begrijpende grondstewardess hem aan en zei: ,,Boze echtgenote zeker?” August ging terug naar Suriname, verbleef bij Liesjes ouders, die hem kennelijk in genade hadden ontvangen omdat hij nu serieuze plannen had met hun dochter en de kinderen. Een maand later, zo tegen oktober was hij weer terug in Den Haag.

Via het arbeidsbureau krijgt hij een baan in het huis van bewaring in Scheveningen. Hij kan ook makkelijk zijn oude hobby – muziek maken en spelen – weer oppakken. Veel oude kennissen en vrienden, met name ook uit de muziek, zijn dan al naar Nederland geëmigreerd. Dat hield verband met de aangekondigde zelfstandigheid van Suriname in 1975 en het gebrek aan werkgelegenheid aldaar en de lage/slechte betaling van arbeid. Nederland was zeker in die jaren (met een economie die goed draaide met veel vraag naar werknemers, de jaren ook waarin veel Marokkaanse en Turkse mensen naar ons land komen) het land van melk en honing. Liesje heeft het niet anders ervaren: aardige en behulpzame en gastvrije mensen in Nederland, en bijna alles kon!

Liesje bleef ten aanzien van August achterdochtig. Al snel hoorde ze een gerucht dat hij weer een ‘andere zou hebben’. Ze kwam er achter met wie en ging daar verhaal halen. De ouders van de vermeende vriendin bleken bekenden uit Suriname en de dochter ontkende stellig een relatie met August te onderhouden. Het liep met een sisser af.

En dan toch eindelijk een huwelijk…

August treedt in wisselende formaties op voor de steeds groeiende groep Surinamers. De verdiensten zijn zeer goed en Liesje en August laten in 1973 de kinderen overkomen uit Suriname. Met Liesjes broer en zussen die in Nederland verblijven betalen ze ook de overtocht van hun ouders voor de bruiloft van Liesje en August op 26 juni 1973. Het feest wordt gegeven in een in zaaltje in de Retiefstraat.

Het gezin is eindelijk weer bij elkaar. Er breken gelukkige tijden aan zonder financiële problemen, alleen voelt Liesje zich niet helemaal senang in de Schilderswijk. Ze had al eerder vastgesteld dat de wijk snel aan het verpauperen was. Het was eigenlijk al een mindere buurt toen ze ze er kwam wonen. Nu haar kinderen in Nederland waren, vond ze het vanuit opvoedkundig oogpunt verstandiger dat zij in een ‘betere’ wijk naar school gingen. ,,Je hoorde de vreselijkste ziektes over straat gaan als scheldwoorden. Het was tegelijk een asociale buurt waar de mensen wel heel sociaal waren. Je hielp elkaar als het kon. Ik weet nog dat de auto niet startte, en dat een buurman spontaan hielp met de reparatie. Wij besloten de kinderen aan te melden voor een school aan de Laan van Meerdervoort. Daar brachten we ze dan meestal met de auto naar toe, soms ging dat met de tram. We besloten te gaan verhuizen na een felle kerstboombrand vlakbij onze voorgevel op oudjaarsavond 1973. Dat wilde ik niet nog eens mee maken.”

Luxe maisonnette aan de Loevesteinlaan

Mijn schoonvader August Cabenda. Foto circa 2000.

Ze kochten in 1975 een maisonnette aan de Loevesteinlaan, waar Liesje anno 2020 nog steeds woont. ,,Ik vond dat huis heel geschikt voor ons gezin. August had het heel druk met muziek, werkte vaak ’s nachts, zodat hij overdag ook voor de kinderen kon zorgen als ik moest werken. Hij kon dan later op de dag rustig boven slapen als de kinderen naar school waren of in de middag weer thuis kwamen. Het huis kostte 70.000 gulden inclusief kosten koper. We waren eerst bang dat we geen hypotheek konden krijgen, maar de makelaar zei dat we genoeg verdienden om ‘wel twee woningen te kunnen kopen”, aldus Liesje in 2017. Het grote voordeel van de nieuwe woonplek was ook dat er goede scholen op loopafstand waren. Haar woning in de Schilderswijk, die op de nominatie stond om in het kader van de stadsvernieuwing te worden gesloopt, verhuurt zij aan haar zus Wonnie die daarmee ook het recht verkreeg op vervangende woonruimte na de sloop van het pand.

De kinderen van Liesje kunnen goed leren, zij het dat Monique wat langzamer is. Chiquita en Maikel (die op de lagere school een klas over slaat en met zijn oudere zus Monique in de brugklas zit) gaan naar het vwo. Monique gaat na de brugklas naar de mavo. Liesje neemt de gelegenheid te baat om zelf ook weer naar school te gaan (vanwege haar zwangerschap had ze in Paramaribo nooit de MULO afgemaakt). Min of meer toevallig gaat ze gelijk op met dochter Monique: mavo, havo en daarna meao, die Monique wel, maar Liesje niet afmaakt, want ze deed dat alleen als steun voor haar dochter.

De kinderen Cabenda, foto circa 2000: (v.l.n.r) Monique, Maikel (Pablo), Chiquita met op schoot zoon Danny en daarnaast haar man Bruce Griffin.

In het voorjaar van 1974 krijgt Liesje een onverwacht bericht dat haar moeder is overleden, 54 jaar oud. De hoge bloeddruk – waarmee ze en groot deel van haar leven kampte – is haar fataal geworden. Ze was met de auto op weg naar Zanderij om haar dochters Wonnie en Joyce op het vliegtuig te zetten. Op het vliegveld wordt ze door verpleegkundigen/artsen behandeld. Terwijl de dochters richting Nederland vliegen, wordt ma vervoerd naar het ziekenhuis in Paramaribo, alwaar zij overlijdt. Liesje reist naar Schiphol om haar nog onwetende zussen te informeren over de dood van hun moeder. De volgende dag reist Liesje naar Suriname om de uitvaart van haar moeder bij te wonen.

Carrière als instructrice bij de KPN

Het gaat financieel zo goed met het gezin dat Liesje parttime kon gaan werken. Op de afdeling juridische en bestuurlijke zaken bij de gemeente Den Haag is dat niet mogelijk. Helaas, want Liesje had het daar erg naar haar zin, is dat. Ze neemt ontslag en gaat voor een uitzendbureau werken en komt tijdelijk terecht bij de KPN, draadomroep (radiozenders). Van het een komt het ander en Liesje laat zich overhalen om in vaste dienst te treden, weliswaar parttime zoals ze dat wilde, bij 008, binnenlandse inlichtingen. Op 1 mei 1975 werkt ze 20 uur per week voor KPN, in wisselende diensten tussen 7.00 en 23.00 uur. Het is makkelijk schuiven, veel collega’s ruilen diensten zodat Liesje het kan afstemmen op haar gezin en huishoudelijk ritme. Ze volgt cursussen, werkt zich op tot instructrice die nieuwe medewerkers moet leren hoe zij de computers moeten bedienen en hoe zij zich tegenover klanten moeten gedragen.

Vanuit die functie kan ze ook regelen dat haar kinderen vakantiebaantjes krijgen bij KPN. Van jongs af aan heeft Liesje haar kinderen ‘leren’ werken. Vanaf hun vijftiende jaar bezorgen ze in de zomervakantie de Haagsche Courant. De eerste dagen ging ze dan zelf ook mee – vijf uur ’s morgens – met haar kinderen zodat die hun klus serieus namen.

Zowel Chiquita als Monique gaan na hun schooltijd aan de slag bij KPN. Maikel, net 18 aar oud, gaat biologie studeren in Leiden. Een studie die hij niet afmaakt. Na een baantje als freelance kunstrecensent bij het Leidsch Dagblad treedt hij daar in 1997 in vaste dienst. Een aantal jaren later werkt hij op de kunstredactie van de Volkskrant, eerst als vaste kracht, later als zzp’er, werk dat hij anno 2020 nog steeds doet. Hij woont sinds 1986 in Leiden.

Vereenzaamde vader van Liesje komt naar Nederland

Toen Liesjes ouders in 1973 bij haar verbleven in verband met de bruiloft, opperde Liesje al dat zij bij haar konden wonen, immers het huis had 8 kamers. Nadat haar moeder een half jaar later overleed en ook zijn laatste kind Wonnie in 1974 naar Nederland emigreert, vereenzaamt haar vader. Rond 1978 weten zijn kinderen hem over te halen naar Nederland te komen. Hij verblijft tijdelijk bij zijn dochter Wonnie die dan een huurhuis heeft in de Brueghelstraat in Den Haag.

Hij wordt een zonderlinge en voor veel jongeren uit die tijd opvallende verschijning in het uitgaansleven. De alcohol vloeit rijkelijk en vader Willem bezoekt met grote hoed – met daarin ook nog lichtjes, soort kerstlampjes – diverse discotheken en danst er lustig op los. Het gaat over in alcoholisme. Hij betrekt een paar jaar later een hofjeswoning in ‘Om en Bij’. Liesje vindt het moeilijk om sociaal met hem om te gaan. Hij heeft weinig discipline, komt te laat of houdt zich niet aan afspraken. ”Dat was eigenlijk vroeger ook al zo. Als hij naar zijn werk moest, miste hij soms de bus en was hij gedwongen een taxi te bestellen.”

Met het drinken van alcohol wordt het de discipline er bepaald niet beter op. Zijn persoonlijke hygiëne gaat sterk achteruit, hij verloedert en wordt ook een soort hamsteraar die alles verzamelt wat los en vast zit. Als gevolg van enkele tia’s gaat hij ook geestelijk achteruit. Zijn huis vervuilt en en de kakkerlakken hebben er vrij spel. Rekeningen worden niet meer betaald, althans niet meer op de post gedaan: ,,.Want mijn vader tekent wel cheques maar doet ze niet meer op de post. Uiteindelijk vonden we in zijn huis een dikke stapel onverzonden enveloppen.”

Uiteindelijk brengt de politie hem in maart 2001 naar Parnassia waar hij als ‘geestelijk gehandicapte’ wordt opgenomen. Heel lang heeft dat niet geduurd, want een maand of zes later wordt een zwaar herseninfarct hem fataal op 17 oktober 2001. Willem overlijdt, 84 jaar oud.

Muzikaal succes voor August: Gouden plaat

In de tweede helft van de jaren zeventig krijgt August het steeds drukker in de muziek. Hij verdient er op een gegeven moment meer geld mee dan met zijn werk als cipier. Er zijn – naast meer reguliere optredens – een paar goede schnabbels. Zo is hij via Soundhouse, de opnamestudio in Schiedam van de vader van Patricia Pay, betrokken bij de productie van de reclamemuziek van Loeki de Leeuw (van de Ster-reclame). August schreef mee aan de muziek van en begeleidde in haar beginjaren Denise Jannah (geboren 5 november 1956, Paramaribo), die in de jaren negentig internationale faam verwierf als jazzzangeres en onder anderen optrad voor de presidenten Clinton en Mandela.

Vanuit Suriname (van gemeenschappelijke optredens in onder meer hotel Torarica) kende August Lord Cammy (de artiestennaam van George Gambier) die in Duitsland (Hamburg) terecht kwam en daar zijn geld verdiende als zanger en als uitbater van een restaurant. Toen hij hoorde dat August naar Nederland was gekomen, nam hij contact op met hem en vroeg hem als begeleider van zijn band.

Op 5 maart 1978 richtten de gebroeders Robby en Ewald Krolis in Rotterdam de kaseko-formatie The Caribbean Combo op, waarin ook August en vaste plek krijgt als gitarist. Het was de bedoeling van de broers om Surinamers in met name Rotterdam te verpozen met ‘echte’ kaseko. Kaseko is Surinaamse dansmuziek, voortgekomen uit de traditionele Surinaams-creoolse kawinamuziek, zoals die sinds begin 1900 door creoolse straatmuzikanten in Paramaribo wordt gespeeld. Kaseko is een verbastering van het Franse ‘casser les korps’, wat zoveel betekent als ‘sla erop los’.

Hoogtepunt van de band is een gouden plaat voor ‘Meri Mie’ (Unice Records/Gemini Records, 2 februari 1980), waarvan er uiteindelijk bijna 40.000 worden verkocht. De band bestond bij de oprichting uit: John Camble (alias Twiggy), saxofoon; Ricardo Tjon A Kon, keyboard en bas; Lesley Leeflang, bas en skratje en zang; August Cabenda, gitaar; Robby Krolis, drum en zang; Ewald Krols, zang. Later speelt August in wisselende samenstellingen ook in andere bandjes, maar The Caribbean Combo is en blijft het bekendste podium, vooral vanwege de specifieke Surinaamse kaseko-muziek, en natuurlijk omdat zoveel Surinamers sedert de onafhankelijkheid en de staatsgreep in 1980 in Nederland zijn komen wonen, een groot publiek dus.

Het gezin kan veel geld uitgeven aan vakanties. In 1980 gaan de vijf ‘Cabenda’s’ drie weken op vakantie naar Amerika (New York en Miami) en dat kost aan tickets en hotels alleen al bijna 12.000 gulden. En daarna Thailand, en nog vaker Amerika, ook samen met de kinderen van neef Rick Sanches (Sabrina en Mitchel). De populariteit van Surinaamse muziek zakt af zo tegen 2005, maar dan gaat het ook snel. Rond 2012 is er nog hooguit één optreden in de week, eerder minder. Dat August zo vaak ’s avonds kon spelen (soms twee keer op een avond), is te danken ook aan zijn collega-cipiers die makkelijk diensten ruilden. Natuurlijk omdat August een voorkeur had voor de nachtdienst die niet populair was bij zijn collega’s.

De muzikale genen van August zijn overgegaan op al zijn zonen (van al zijn vrouwen), want allen bespelen een instrument. Maikel speelde in zijn jonge jaren en deel van zijn jeugd piano en orgel, maar stopte daarmee als puber. Hij pakt de draad (piano) weer op als hij bijna veertig is, en speelt vooral voor eigen plezier.

August gegijzeld door gevangenen

August krijgt nog meer tijd voor muziek als hij, 58 jaar oud, in 1991 vervroegd kan vertrekken bij zijn baas. Hij is dan geen cipier meer maar werkt op de administratie van de gevangenis, een baan waarvoor hij zelf koos, nadat hij in 1984 door gevangenen was gegijzeld. Een Algerijnse gevangene, bij wie een pistool was binnen gesmokkeld, sloeg een collega van August hard op het hoofd toen die die zijn cel opende. Er zijn nog vier andere bewakers aanwezig, onder wie August, maar die kunnen en durven met alleen een wapenstok uiteraard niet op te treden tegen een gevaarlijke gevangene met een pistool.

August heeft de tegenwoordigheid van geest om zijn portemonnee, waarin veel geld zit uit de contant betaalde muziekoptredens van de dagen er voor, en huissleutels uit zijn zak te laten glijden in brede naad van de stoel waarin hij zat. De cipiers, die hun sleutels van de cellen hebben moeten afgeven, worden elk apart opgesloten. Vervolgens worden door de Algerijn veel gevangenen bevrijd, en 15 weten weten het complex daadwerkelijk te ontvluchten. Lang niet alle vrijgelaten gevangenenen (juridisch: vooral verdachten, want nog niet veroordeeld door de rechter) grijpen de kans aan om te vluchten. Integendeel, een paar van hen, bevrijdden de cipiers.

Het Reformatorisch Dagblad van 19 maart 1984 meldt:

”Uit het Huis van Bewaring te Scheveningen zijn gisteren vijftien gedetineerden ontsnapt. Na deze grootste ontsnapping ooit vanuit het Scheveningse gevangeniscomplex ondernomen, waren gisteravond vijf gedetineerden en een handlanger weer in hechtenis. De Haagse politie sprak van een goed georganiseerde vlucht, hoewel waarschijnlijk een aantal gedetineerden is ontsnapt die niets van de plannen wist. Volgens een woordvoerster van het ministerie van justitie zaten de ontsnapten over het algemeen in verband met (verdenking van) zware delicten vast: doodslag, roofoverval, gijzeling en zogenoemde opiumdelicten. Zes van hen werden vrij snel weer opgepakt.
K. (de aanstichter, de Algerijn) had bij zijn aanhouding een pistool in zijn bezit. Of dat ook het wapen is waarmee de ontsnapping uit het Huis van Bewaring is bewerkstelligd, is nog onzeker. Onder de vijftien ontsnapten zijn drie Turken, twee Algerijnen, een Brit en een Argentijn. De overigen zijn Nederlanders. De gedetineerden waren of in afwachting van berechting, of waren al veroordeeld en wachtten op overzetting naar een gevangenis.” De Algerijn is later bij een schietgevecht met de politie in België dood geschoten.

Zodra hij is ‘bevrijd’, belt hij onmiddellijk Liesje, want de gijzeling was meteen ook groot nieuws in de media. Hij meldt dat hij het goed maakt. Als hij thuis is, zegt hij tegen haar dat hij ,,vanavond
gaat werken. Want als ik dat niet doe, ga ik nooit meer!” Hoewel August er later geen psychische problemen van heeft gekregen, was het een ingrijpende ervaring. De vier collega-bewakers van August zijn nooit meer in hun baan teruggekeerd. August heeft het werk nog een aantal maanden volgehouden en kreeg later dus administratief werk.

Zorgen over Monique

Het gaat het gezin voor de wind. Er zijn wel enige zorgen over dochter Monique. Haar carrière gaat voor de wind. Sterker nog, ze doet het hartstikke goed bij KPN. Ze wordt manager van het businesscenter ‘Kerketuinen’ in Den Haag en verdient begin 2000 een salaris van ruim 4600 gulden bruto. Monique heeft evenwel een zwak voor mensen die het minder goed hebben getroffen. Ze heeft het individuele geloof en vertrouwen dat ze mensen kan verbeteren. Een prachtige karaktertrek, maar te vaak, constateren August en Liesje, wordt er misbruik van haar gemaakt. Ze wordt gebruikt als pinautomaat door mannen die willens en wetens misbruik van haar maken. Als haar toenmalige vriendje met zijn familie terugkeert van een buitenlandse vakantie op Schiphol, huurt ze een busje om hen op te kunnen halen. Pa en ma vinden dat onzin en verbieden het haar.

‘Moniekje’ met kerst in 1999?

Ze raakt eind jaren negentig bevriend met een Haagse politie-agent afkomstig uit Suriname. Hij is een stuk ouder en heeft al verschillende relaties (met kinderen) achter de rug. Hij gebruikt Monique vooral om zijn belabberde financiële situatie – hij gokt – te compenseren. August en Liesje zijn resoluut: ze willen hem niet zien, niet ontvangen in hun huis. Het is een relatie vol spanningen, maar Monique blijft geloven in het goede van de mens.

Haar vriendje komt in zekere problemen, omdat hij geen pistool mag dragen als politie-agent. Hij haalt de psychologische testen niet die het dragen van een wapen mogelijk maken. Maar Monique, die juist als manager bij KPN veel ervaring heeft met dat soort testen, helpt hem met de voorbereiding van weer een nieuwe test. En ja, hij slaag na vele vergeefse pogingen eindelijk voor de test en mag weer een dienstpistool dragen.

De relatie met Monique zit dan inmiddels al op een dieptepunt, concluderen August en Liesje, want Monique woont vooral weer thuis. Ze vertelt er niet veel over, eigenlijk niets over hoe het allemaal precies in elkaar steekt met haar vriendje. Het is wisselend aan en uit. Op een avond – oktober 2002 – belt Monique om half vier ’s nachts op dat ze door hem wordt bedreigd en geslagen, en vraagt haar vader om hulp. Die antwoordt dat hij haar had gewaarschuwd en dat het haar probleem is. Maar niet Liesje! Die staat op, kleedt zich aan, loopt naar de garage om de auto te pakken om naar het huis van haar dochter in de Heiloostraat te rijden. In de garage ziet ze de hakbijl hangen en neemt die mee, echt met de overtuiging dat ze dat vriendje daarmee zou aanvallen, woedend en agressief als ze was omdat hij haar dochter had mishandeld. Maar bij aankomst blijkt de vogel gevlogen. Hij was net weg gefietst.

Duidelijk is wel dat Monique in zekere zin bang was voor hem, althans dat zij rekening hield met zijn onberekenbaarheid, eigenlijk zijn gekte. Want zeker is, volgens Liesje, dat ze zich niet zomaar liet mishandelen en dat ze terug sloeg. Ze liet zich niet terroriseren door hem.

Zijn onberekenbaarheid noopte Monique wel tot uiterste voorzichtigheid. In een periode dat er weer spanningen waren, verbleef Monique bij haar ouders. Dat was december 2002. In zekere zin heeft Liesje nog heel prettige herinneringen aan de oudejaarsavond dat jaar. Zoals altijd ging Liesje zich ’s avonds baden, een gebruik onder vooral oudere Surinamers. Dan wordt een teil of het bad gevuld met water waarin blaadjes van bloemen en parfum. Een soort schoonwassing voor het nieuwe jaar, een ritueel dat wellicht stamt uit Afrika. Met een takmoffo (kalebas) giet je dan water over je heen terwijl je een panji (lendendoek) draagt. In Nederland droog je je daarna af (in Suriname was dat vanwege de warmte nooit nodig) en gaat op bed liggen om in zekere zin je leven, je bestaan, te overdenken.

Liesje heeft haar kinderen nooit verplicht die rituelen te volgen. Maar op deze oudejaarsavond 2002 wilde Monique zich voor het eerst sinds jaren weer volgens deze Surinaamse traditie baden. De herinnering daaraan is voor Liesje in het licht van wat een week later gebeurde alleen maar waardevoller en sterker geworden. August had helemaal niets met religies, bijgeloof, en dus ook niets met de ‘schoonwassing’ zoals Liesje die deed. Maar hij vond het prima als Liesje of zijn dochters dat deden.

Als Monique in die periode bijvoorbeeld naar haar flat wilde voor andere of schone kleren of om de post op te halen, deed ze dat ’s avonds laat in de veronderstelling dat het haar ex-vriendje niet zou opvallen. Op de avond van 6 januari 2003 werd haar dat fataal. Haar ‘vriendje’ had haar opgewacht – nadat later bleek had hij al weken gepost – schoot met zijn dienstpistool drie keer op haar, en pleegde ter plekke zelfmoord. Inderdaad met het wapen waarvoor Monique hem door de psychologische test had geholpen.

Haar ‘vriend’ was meteen dood. Monique overleed drie dagen later, op 10 januari. Het is te danken aan een kennis van Liesje dat niet hetzelfde overlijdenskaartje werd gekozen als dat van de moordenaar. Op de valreep kon de familie dat nog veranderen. Op de uitvaart van Monique op Eikelenburg waren meer dan 500 mensen aanwezig.

Wiarda, de Haagse politiebaas probeerde een aantal keren af spreken met August en Liesje, maar met name August weigerde pertinent, boos als hij was dat ‘zo’n gek überhaupt bij de politie had kunnen werken’. Uiteindelijk kwam Wiarda toch op bezoek, en Liesje heeft daaraan een prettig gevoel overgehouden. De politie accepteerde een zekere medeverantwoordelijkheid door een belangrijk deel van de hoge uitvaartkosten te betalen.

Maar Liesje zat helemaal stuk, een moeder van wie het hart uit het lijf was gerukt. Het heeft jaren geduurd voordat ze weer een beetje mens was. Heel veel medicijnen hielden haar een beetje op de been. Werken kon ze niet meer. Ze was er geestelijk niet toe in staat, en werd uiteindelijk afgekeurd.

In een interview in het Algemeen Dagblad van 29 mei 2017 laat Liesje duidelijk haar gevoelens en gedachten de vrije loop over die verschrikkelijke periode:

,,Ze gaat niet dood. Echt niet. Ze praatte toch nog!” Krampachtig weigerde Lies Cabenda de realiteit onder ogen te zien. Maar haar dochter Monique (35) stierf wel, door kogels uit het dienstwapen van haar ex, een agent. (…) Ik had verwacht allemaal bloed te zien en zo, maar dat was niet het geval.”

,,De collega’s komen. Kijk wat je me hebt aangedaan!’ Het waren de laatste woorden van de 41-jarige politieagent tegen Monique Cabenda op 6 januari 2003 om 23.28 uur. Op het moment dat de ‘collega’s’ – politieagenten in kogelvrije vesten – bij de Heiloostraat in Den Haag arriveren, schiet hij zich door het hoofd. ,,Hij was op slag dood. Hij wel”, zegt Lies Cabenda (70) veertien jaar later in haar woning in de hofstad.”

Voor het eerst vertelt ze wat haar toen overkwam. Ze doet dat op het moment dat stichting lotgenoten Aandacht Doet Spreken (ADS) definitief wordt opgedoekt en opgaat in andere, soortgelijke stichting. Voor Lies bleek het contact met de stichting en die lotgenoten van levensbelang, het zorgde er voor dat ze niet onderdoor ging aan alles wat volgde na het telefoontje van de politie na de schietpartij in 2003. Van dat telefoongesprek herinnert zij zich nog elk woord. ,,Mijn man August zat achter zijn keyboard en zei net ‘ik ga niet te laat naar bed hoor vanavond. Ik voel me helemaal niet lekker’. Achteraf denk ik dat hij een voorgevoel had.”

‘Bent u mevrouw Cabenda?’ ‘Ja dat ben ik’. ‘Bent u de moeder van Monique Cabenda?” ‘Ja dat klopt’. ‘Dan heb ik niet zo’n fijne mededeling.. Uw dochter is net neergeschoten. Ze moet geopereerd worden.’ ,,Dat was het hele telefoongesprek. Ik schrok, maar ik dacht ook dat het wel zou meevallen met haar verwondingen. Per slot van rekening: als het echt ernstig was, zou de politie wel zijn langsgekomen. Nu belden ze. In het ziekenhuis zag ik haar. Ik had verwacht allemaal bloed te zien en zo, maar dat was niet het geval. Ze was helemaal bij. ‘Hij is dood’, zei ze. En ik: ‘Moniekje, – we noemden haar nooit Monique, altijd Moniekje – , daar moet je niet aan denken’.”

Lies vertelt verder. Soms slaat ze een stukje over, als in haar hoofd weer een ander deel van de film van die avond afspeelt. ,,’Schatje, je gaat papa niet verlaten, hoor!’ Dat zei mijn man. En ik zei: Moniekje, bid, bid, bid! Wij doen het ook. Weet je nog het versje dat ik altijd zong toen je jong was: Als g’in nood gezeten, geen uitkomst ziet. Denk daaraan. Toen ging ze weg, de operatiezaal in. Ze glimlachte, deed haar duim omhoog.”

,,We hebben uren gewacht. August piekerde. ‘Lies, ze haalt het niet!’ Maar ik wilde er niet aan. ‘Natuurlijk haalt ze het’, zei ik. ‘Ze gaat niet dood. Nee hoor! Echt niet. Ze praatte toch nog!’.” Die nacht zijn de artsen uren bezig, de dagen die volgen wordt Monique nog eens drie keer geopereerd. Tevergeefs. Een kogel in de alvleesklier wordt haar fataal. ,,August zei nog: haal dat ding er bij mij uit. Transplanteer het. Maar dat kon niet.”

Op 10 januari, als artsen na de vierde operatie niet eens meer de wonden kunnen hechten, kan Lies er niet meer omheen. Ze moet het erkennen. Haar dochter, het moederskindje van haar drie kinderen, haalt het niet. De stekker wordt er uitgetrokken.

,,Ik zie mezelf nog op die steentjes van het strand van Malta zitten, in september, een paar maanden voor haar dood. Mijn man en ik waren voor het eerst samen met vakantie, zonder kinderen. We hadden het heerlijk. Op die plek zei ik tegen hem: ‘We hebben er hard voor moeten zwoegen, maar we hebben het goed gedaan. Alle drie zijn ze goed terecht gekomen’. Pats. In een keer weg. Sindsdien is er een leven voor, en een leven na….”

Vijf maanden sleept Lies zich van de bank naar bed en weer terug, zonder een moment werkelijk te slapen. Dan grijpt een huisarts stevig in. Ze krijgt antidepressiva en een slaapmiddel. Ze móet, wil ze niet gek worden. Van slachtofferhulp hoort ze dat er onlangs een stichting is opgericht voor lotgenoten. Het is de stichting Aandacht Doet Spreken (ADS), van initiatiefnemer Martin Roos, die zijn zoon in 2000 verloor door een brute moordpartij.

Moederziel alleen, andere gezinsleden kunnen die dag niet, wacht Lies op de bus die haar voor het eerst naar een herdenkingsbijeenkomst van de stichting zal brengen. ,,Bij die bijeenkomst stond ik bij het herdenkingslint met de namen van al die slachtoffers van geweld erop. Moniques naam stond er natuurlijk nog niet bij. Ik ben gewoon ergens gaan staan.”

Lies gaat vaker naar bijeenkomsten. ,,Toen ik er net bij was, zei een vrouw tegen mij, op een normale toon: ‘Mijn dochter is dertien jaar geleden overleden’. Alleen al zo’n zin. Ik dacht: als ik dat toch eens gewoon kan zeggen, zonder meteen te huilen.”

Ze gaat steeds alleen. Haar man August brengt haar, maar wacht in de auto. ,,Dat was voor ons allebei geen probleem. Iedereen verwerkt het op zijn eigen manier. Hij had zijn muziek. Ik hield daarvoor erg van zingen, maar ik kon juist geen noot meer uitbrengen. Het leek of mijn keel was dichtgesnoerd.”

,,Ik leerde er ook relativeren. Mensen kunnen zulke verschrikkelijke dingen tegen je zeggen. Zo van ‘je hebt in elk geval nog twee kinderen over’. Alsof het dan minder erg is. Elk kind is toch uniek! Op die bijeenkomsten zei dan altijd wel iemand tegen me: ‘Trek het je niet te veel aan. Ze bedoelen het goed, mensen weten gewoon niet goed wat ze moeten zeggen’.”

Met lotgenoten deelde Lies haar verdriet, maar ook haar boosheid. Vooral op de politie, omdat de agent zijn dienstwapen mee naar huis nam, waarmee hij haar doodschoot. Hij werkte op een bureau in het centrum van Den Haag, had gokschulden, en nadat het uit was gegaan met Monique stalkte hij haar. Bij de politie wordt er melding van gemaakt als hij in een nacht 91 keer aan haar deur belt. Niemand grijpt in.

,,Wij hebben nooit onderscheid gemaakt tussen kinderen, kinderen van ex-en. Partners en zo. We behandelden altijd iedereen of ze eigen zijn. Maar hij is nooit bij ons thuis geweest. We moesten hem niet. Hij gebruikte onze dochter als chequeboek. Als hij door zijn schulden weer eens geen huur kon betalen, deed zij dat. Ze dacht dat ze hem wel kon helpen, ze wilde altijd de wereld verbeteren. Het ging uit toen ze erachter kwam dat ze hem nooit zou kunnen veranderen.”

,,Wij wisten het. Je zou toch denken dat ze dan bij de politie ook wel in de gaten hebben wat voor problemen hij had. Niet dus. Een collega zette hem die avond gewoon bij haar huis af. Met zijn wapen. Het was voor ons onbegrijpelijk.”

,,We hebben er een tijd een zaak tegen de politie van willen maken. Het is vooral door de houding van een rechercheur en korpschef Wiarda geweest dat het niet is gebeurd, dat de boosheid is weggeëbd. Eerst wilde ik helemaal niemand zien, maar Wiarda liet zich niet afschepen. Hij bleef bellen. Uiteindelijk zat hij op de bank en hij gedroeg zich zó menselijk. Nadien is hij nog vaak geweest. We hebben het laten rusten. We kregen er onze dochter toch niet mee terug.”

Inmiddels werkt Lies zelfs bij de politie. Als vrijwilliger. Elke vrijdagmiddag zit ze achter de balie van politiebureau Zuiderpark. Haar verschrikkelijke ervaring, draagt ze met zich mee. ,,Laatst nog kwam er een vrouw helemaal overstuur op het bureau, haar zoon was overleden. Het was niet iets voor de politie, maar ik kon tegen haar zeggen: Ik kan je helpen. Echt. Ik weet hoe jij je voelt.”

,,Ik had nooit gedacht dat ik zo’n punt zou bereiken, dat ik een ander kon helpen. Voor mij is het dan ook niet erg dat Aandacht Doet Spreken (ADS) stopt. Het is genoeg geweest. Niet dat ik nu zeg: ik heb het verlies van Moniekje een plekje gegeven. Dat kan niet als je een kind verliest. Ik heb er – mede dankzij ADS – mee leren omgaan. Dat is het.”

(bron Algemeen Dagblad 29 mei 2017)

 

4 antwoorden
  1. Marsha Rodgers
    Marsha Rodgers zegt:

    Wat fijn dat ik na een tijd zoeken eindelijk informatie vind over mijn grootmoeder Mathilde Rodgers en grootvader Leendert Riedee.
    Als u meer informatie heeft, of een my herritage pagina, deelt u dit dan alstublieft met mij zodat ik deze informatie kan gaan toevoegen aan mijn stamboom.

    met vriendelijke groet,

    Marsha Rodgers

    Beantwoorden
  2. Rudolf Van Nuissenburg
    Rudolf Van Nuissenburg zegt:

    Mooi verhaal, ik kende Cabenda uit de periode dat ik werkzaam was in het Huis van Bewaring aan de Van Alkemadelaan in Scheveningen. Hij bracht tijdens de nachtdiensten altijd zijn mooie Gibson les Paul mee. Hij liet mij er dan op spelen. Hij heeft mij mooie akkoorden en smooth guitar licks bij geleerd. Cabenda was altijd in opgewekte stemming, een gezelschapsmens. Hield van ‘schuine’ humor. Ik wist niet dat hij al in 2014 was overleden. Volgens mij op 81-jarige leeftijd. TsJa, en zo gaan de jaren voorbij totdat een ander je eigen overlijdensbericht leest. Rudolf van Nuissenburg.

    Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *