Afscheid van oud-hoofdredacteur Leidsch/Alphens Dagblad Jan Geert Majoor

In het crematorium Sterrenheuvel te Haarlem hebben familie, vrienden en oud-collega’s zaterdag (23 oktober 2021) afscheid genomen van Jan Geert Majoor, jarenlang hoofdredacteur van het Leidsch Dagblad (later ook van Haarlems Dagblad, De Gooi- en Eemlander en Noordhollands Dagblad). Hij overleed 15 april aan de gevolgen van alvleesklierkanker, dat bij hem in de zomer van 2019 werd vastgesteld.

Jan Geert Majoor, 4 november 1949 – 15 oktober 2021.

Afkomstig van de GPD (een persdienst in Den Haag die regionale kranten van nationaal en internationaal nieuws voorzag) belandde hij in 1990 als kersverse hoofdredacteur bij het Leidsch Dagblad. Hij maakte kennis met een beetje opgefokte redactie (van circa 65 mensen) die bijna twee jaar eerder het vertrouwen in de toenmalige hoofdredacteur Koos Metselaar had opgezegd.

Een redactie ook die fel vocht tegen de dreigingen van de tijd: aantasting van redactionele zelfstandigheid, (te) hoge rendementseisen ten koste van arbeidsplaatsen, grote fusies.

Ik ervoer de komst Jan Geert Majoor als een verademing op een redactie van opgewonden standjes (onder wie ikzelf) en starre knarren die een soort politbureau vormden, een plek waar slechts de dictatuur van de ‘achterhaalde’ ervaring gold.

Jan Geert was zuurstof en ruimte, bijna een culturele bevrijding. Een man die in tegenstelling tot de meesten van ons op zijn beurt wachtte om het woord te voeren, om te wachten tot iedereen was uitgekakeld. Wat een beschaving vond ik dat (ik behoorde tot de kakelaars)!

‘Gewichtig’ rapport

Om ons te verzetten tegen genoemde dreigingen was al ruim voor de komst van Majoor een commissie samengesteld (onder mijn leiding) die in een lijvig rapport produceerde waarin de onafhankelijke toekomst van het Leidsch/Alphens Dagblad onder voorwaarden kon worden ‘gegarandeerd’. In een tijd overigens dat er veel meer aan de hand was: abonnees zegden hun krant op, vaak vanwege de kosten maar ook omdat ze hun geloof in bestuur en autoriteit (politiek) waren kwijtgeraakt (en juist over die autoriteiten schreef ‘hun’ krant vaak en veel), maatschappelijke solidariteit veranderde in individualisme. Bovendien een periode waarin de positie van gratis huis-aan-huisbladen (met goedkope advertentietarieven) steeds sterker werd, etc.

Nog voordat Majoor ook maar één stap in Leiden heeft gezet heb ik hem dat ‘gewichtige’ rapport in zijn huis in Vlaardingen in handen gedrukt, zo ongeveer met de achtergrondgedachte: ‘Ik weet niet wat jij in je hoofd hebt over je nieuwe baan, maar hier heb je in ieder geval onze standpunten’.

Hij heeft het zeker gelezen, en de rest is geschiedenis. Leidsch Dagblad werd ‘kopblad’ (landelijk en internationaal nieuws werden in Haarlem verzorgd, al eerder was de drukpers ontmanteld) van het Haarlemsch Dagblad, maar dankzij Jan Geert Majoor wél met een flinke regionale redactie van 50 redacteuren die – dankzij de digitale mogelijkheden – hun ‘eigen’ pagina’s konden vormgeven en doorsturen naar de pers in Haarlem.

Het scheelde weinig of de redactie had, toen zelfstandigheid van de krant door Jan Geert als onrealistisch werd beschouwd, ook in hem het vertrouwen opgezegd. De sfeer was er naar. Ik was ervan overtuigd dat Majoor het maximum haalbare in de wacht had gesleept, en ging ‘achter’ hem staan met een aantal andere, min of meer oude rotten. Het werd me door sommigen heel kwalijk genomen dat ik als mede-aanstichter van de ‘onrust’ op de redactie nu het kamp van de ‘tegenstanders’ had gekozen.

Adjunct-hoofdredacteur

Het was in 1992 dat Jan Geert – nadat hij het politbureau had ontmanteld – mij vroeg adjunct-hoofdredacteur te worden. Dat hield mede verband met zijn vertrek naar Haarlem waar de hoofdredactie werd geconcentreerd (met Frans Nypels). De regionale segmenten zouden worden aangestuurd door een adjunct; in Haarlem Leon Klein Schiphorst en voor Leiden had Majoor dus mij op het oog.

Ik vond mijzelf niet echt geschikt voor die functie, ik was toen chef redactie van het Alphens Dagblad. Ik bepleitte bij Majoor een nieuw, fris gezicht van ‘buiten’ aan te nemen, maar hij wilde geen ander. Pas veel later heeft hij mij onthuld wat de werkelijke reden was van zijn vasthoudendheid. Dat was, zo zei hij, mijn betrouwbaarheid. Hij noemde me soms lastig te overtuigen, maar prees het feit dat ik nooit een dubbele agenda voerde; het was voor mij – gechargeerd gesproken – ja of nee, en als ik mijn gelijk niet kreeg ging ik niet muiten, ik bleef loyaal.

Van juni 1992 tot maart 1997 maakte ik als adjunct deel uit van de hoofdredactie van Leidsch/Haarlems Dagblad met de kopbladen IJmuider Courant en Alphens Dagblad. Een periode waarin veel werd ge(re)organiseerd: personeelsvermindering, verhuizing van de Witte Singel naar de Rooseveltstraat, ‘overname’ van de Leidse Courant en huis-aan-huisbladen in 1994. Een ‘aankoop’ trouwens (een miljoenentransactie) die voor een reeks van jaren rechtstreeks ten laste kwam van Leidsch Dagblad dat daardoor nog slechter draaide, en in 1996/1997 er opnieuw een grootscheepse reorganisatie aankwam, nu ook in Haarlem dat tot dan toe redelijk draaide. Allemaal weer de hei op; ik had er zo verschrikkelijk geen zin meer in.

Strijd met de grote ego’s

Daarin speelde mee dat tijdens een plenaire vergadering een onderzoeksbureau vooral de Haarlemse redactie beschuldigde van geborneerdheid. Eerlijk gezegd kende ik dat woord niet, maar de ego’s van Haarlem ontploften zowaar nadat ze als ‘kleingeestig’ en ‘bekrompen’ waren bestempeld. Ik vond veel van mijn Haarlemse collega’s star, onrealistisch, dwangmatig principieel, soms onaardig zelfs. Dat hadden ze niet van een vreemde: hun hoofdredacteur Nypels was een vechter tegen elke bemoeienis van de directie, een prachtige journalist die fonkelde in de jaren zestig en zeventig. Een bekwaam journalist die door de tijd werd ingehaald. Toen Majoor tot de centrale hoofdredactie toe trad, zat Nypels al vlak voor zijn pensioen.

Het traject/project van verandering en bezuiniging vanaf 1997 is vooral door Jan Geert Majoor getrokken. Wat een monsterproces was dat! Met open verbazing was ik getuige van het optreden waarbij Majoor in z’n eentje op een podium zat in felle discussie met vooral Haarlemse principiëlen. Kwetsbaar, emotioneel en welbespraakt (hij had de gave van het woord, de melodie van taal) spiegelde hij de omstandigheden waarin ‘zijn’ regionale kranten waren beland. Hij maakte er zeker niet heel veel vrienden mee, maar kreeg uiteindelijk de redactie achter zich.

De regionale kranten werden in dit tijd overgenomen door De Telegraaf waarmee Majoor ook vele jaren in de clinch lag, of eigenlijk omgekeerd. In en tijd dat het ook bij De Telegraaf slechter ging, dacht de directie met een aantal oekazes de regionale dochter dwingend te reorganiseren. Maar aan Majoor hadden ze een slechte, want dat was de mens – zijn aard – die secuur, integer met de belangen van zijn redactie omging. ‘Zijn’ mensen moesten overtuigd worden van nut en doel van zo’n ingreep. Dat vergde zeker tijd en die nam Majoor ook. Nee, bij de directie van de Telegraaf was hij ook niet populair, maar hij was altijd in staat met zijn innemendheid, warme menselijke maat en kwaliteiten het contact weer aan te halen.

Frans Nypels stond er bepaald niet om bekend dat hij kon samenwerken. Menig (adjunct) hoofdredacteur in zijn naaste omgeving moest het veld ruimen. Alleen Jan Geert Majoor had kennelijk de goede snaar geraakt. Dat was vooral te danken aan de kwaliteiten van Majoor: luisteren, wikken en wegen, de tijd nemen, overtuigen, respecteren. Zoals hij dat jaren eerder deed bij de buitenlandse soms zeer eigengereide correspondenten bij de GPD: een groep springkikkers bij elkaar houden. Dat heeft hij gedurende zijn 23-jarige carrière als hoofdredacteur altijd gedaan: de kudde bij elkaar houden.

 

3 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *